Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
188 Het vervoer van stuifmeel cloor dieren.
lichaam {a IV—VII), dat bij onderzoek de meeldraad
blijkt te zijn. Dit bezit evenals de vroeger vermelde
Orchideeën twee naast elkaar staande helm hokjes, in
ieder van welke een stuifmeelklomp bevat is. Vlak onder
den meeldraad ligt de groote ronde stempel [n VII).
Reeds vóórdat de bloem zich ontplooit komen de stuif-
meelklompen uit de hokjes te voorschijn en vallen
schuins voorover, terwijl ze met het ondereinde blijven
vastzitten {p IV, V). Daarbij splijt zich elke klomp bijna
geheel in tweeën (VII). In dezen stand groeien er eenige
dunne buizen (pollenbuizen) uit, die den stempel binnen-
dringen, ten slotte de zaadknoppen bereiken en deze
bevruchten. Zoo komt dus zelfbestuiving niet alleen,
maar ook zelfbevruchting tot stand.
Toch komt bij deze plant dikwijls kruisbevruchting
voor. Wanneer wij het lipje {h II —IV, VI) nader be-
schouwen, dan treft ons aanstonds de zonderlinge vorm
van dit deel. Het vertoont ons twee breede stukken, die
door een smaller verbonden zijn. Bij het opengaan der
bloem trekt het voorste schuitvormige deel iets naar
omlaag, waardoor wel een kleine maar toch doeltreffende
toegang tot het inwendige der bloem ontstaat. Insecten,
die de bloem bezoeken, vinden nu wel geen honig, maar
houden zich eenigen tijd op het lipje op, om de dikke,
vleezige verhevendheden, die bij VI zijn afgebeeld, op te
eten. Daar ze gedurende deze bezigheid heel dicht bij
de stuifmeelklompen komen, raken zij er bij hunne be-
wegingen lichtelijk aan en worden zoo met stukken er
van bedekt. Komen ze vervolgens in een tweede bloem,
dan strijken zij het tegen den stempel af, dien zij even-
eens dikwijls genoeg aanraken.
De Cephalanthera is blijkens het gezegde een gewas.