Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Het vervoer van stuifmeel door den ivind. 137
die zelfbestuiving verhinderen. Door die inrichtingen
wordt niet alleen voorkomen de bestuiving van den
stempel met stuifmeel derzelfde bloem, maar zelfs met
dat derzelfde plant. Op die wijze worden dus ver-
schillende individuen gekruist. Ziehier de voornaamste
inrichtingen.
1. Tweehuizigheid. Wanneer een plant alleen
mannelijke (J") bloemen op het eene, en slechts vrouwe-
lijke (9) op het andere individu bezit, moet onder alle
omstandigheden samenwerking plaats vinden van twee
individuen. Tweehuizigheid is dus een volkomen af-
doende inrichting om de stampers op de best mogelijke
wijze te doen bestuiven.
2. Ongelijktijdige rijpheid. Maar ook bij die
planten, die tweeslachtige bloemen bezitten of waar
mannelijke en vrouwelijke op hetzelfde individu gezeten
zijn, zijn dikwijls inrichtingen voorhanden, die zelfbe-
stuiving verhinderen en daardoor de kruisbevruchting
volkomen tot haar recht laten komen. De bedoelde
inrichting is deze, dat meeldraden en stempels eener
plant op verschillende tijden rijp zijn, d. w. z. de helm-
hokjes openspringen, voordat de stempel het vocht
afscheidt om de pollenkorrels vast te houden, of om
gekeerd pas opengaan als de stempels derzelfde bloem
reeds met ander stuifmeel bestoven zijn, of waar dat
niet het geval was, reeds zijn uitgedroogd en dus geen
stuifmeel meer kunnen opnemen en vasthouden. Er zijn
dus twee gevallen te onderscheiden:
a. De meeldraden zijn rijp, voordat de stempels in
staat zijn, pollen vast te houden. Eerst wanneer de
meeldraden verdroogd zijn, worden de stempels rijp.
Deze ontwikkeling der meeldraden vóór de stempels