Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Het vervoer van stuifmeel door den ivind. 132
waren \ dan zou ^^^Uooo van al het gevormde pollen
te gronde kunnen gaan, wanneer ten minste maar Viooo
er van over de vrouwelijke bloemen verdeeld werd. Dat
bij het vervoer van stuifmeel door den wind werkelijk
een zeer groot gedeelte te loor gaat, ligt voor de hand.
Want er is veel meer kans dat het n iet op den stempel
komt dan wel. Er zou dus bij planten met windbloemen
geen voldoende bestuiving en vruchtvorming tot stand
kunnen komen, als ze niet zulk een kwistige lioeveelheid
stuifmeel vermochten voort te brengen.
3. Aard der stuifmeelkorrels. De pol-
lenkorreltjes van windbloemen zijn aan de oppervlakte
effen, glad en droog (fig. 117, I). Als zij door den wind
uit de hokjes zijn geschud blijven zij niet aan elkaar
kleven, maar verspreiden zich geheel en al vrij in de
lucht. Van daar dat men zegt: windbloemen hebben
pollen dat verstuift. Wanneer de korrels daarentegen
kleverig waren, dan zouden zij kleine hoopjes vormen
die licht .op den bodem zouden vallen en zoo haar doel
missen. Daar verder de meeste hier bedoelde bloemen
slechts één zaadknop in eiken stamper hebben (b.v.
Grassen) of waar verscheidene zijn maar één er van ten
koste der andere uitgroeit (b.v. Eik), zoo zijn maar
enkele korrels voldoende om de bevruchting te bewerk-
stelligen.
Onder de planten met windbloemen hebben de Naald-
boomen pollenkorrels, die bijzondere zweef-organen bezit-
ten, b.v. de Den (fig 117,111). Zij bestaan uit de vroeger
beschreven blazen, die met lucht zijn gevuld.
4. Plaats der bloemen en der meeldraden.
') Gewoonlijk z\jn de mannelijke bloemen veel talrijker dan de vrouwelyke.