Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
De bevruchting. 125
er zoo dicht mogelijk mee in aanraking is geweest, en
haar kern zich met die eicel heeft vereenigd. Daartoe
gaat de pollenbuls door het poortje, dringt de deelen
van de kern op zij en legt zich zoo dicht mogelijk tegen
de eicel aan. Bovendien moeten de celwanden, die de
eicel en den inhoud van de pollenbuis van elkaar schei-
den, doorboord worden. Dat proces noemt men de be-
vruchting. Thans gaat de eicel, die tot nog toe geen
omhulsel had, zich bekleeden en deelt zich dan in 2,
3, 4 enz. afdeelingen, zoodat weldra een lichaampje ont-
staat, zooals bij fig. 121 II is voorgesteld.
Verder gaan wij den 'ontwikkelingsgang niet na, maar
vermelden alleen nog, dat dit lichaampje steeds meer
en meer voortgroeit en gaandeweg de gestalte gaat aan-
nemen van een één- of tweezaadlobbige kiem. Blijft er
in den kiemzak plaats over, dan wordt deze opgevuld
met een voedselhoudend weefsel, dat men endosperm
of binn en-kiem wit noemt. "Wat de kern aangaat,
zoo kan deze door den steeds aangroeienden embryo-
zak geheel worden verdrongen, of er blijft nog iets van
over. In het laatste geval hoopen zich er insgelijks voe-
dingsstoffen in op, die men dan perisperm of bui ten-
kiem wit noemt. Men verzuime vooral niet, hierbij het
vroeger (p. 92) over de zaden meegedeelde te vei-gelijken.
6. De kruishevruchting.
Bij een groot aantal planten komen, zooals wij we-
ten, tweeslachtige bloemen voor, dus bloemen, die
meeldraden en stampers beide bezitten. Men zou hier
lichtelijk uit afleiden, dat bij zoodanige bloemen het
uit de meeldraden afkomstige stuifmeel nu eenvoudig op