Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
De bevruchting. 121
bijzonder opvalt, laat hij zich toch door de geheel af-
wijkende oppervlakte van stijl- en vruchtbeginsel onder-
scheiden. Want terwijl vruchtbeginsel en stijl glad en
elïen zijn, is de stempel aan zijne oppervlakte met wratjes
en verhevenheden bedekt, of zelfs met lange, stijve,
meestal grijsachtige haren (fig. 118). — In de figuur
stelt I den stempel van het Mansoor voor: de stijl heeft
een volmaakt gladde oppervlakte; van boven splitst hij
zich in 6 korte takken; elk dezer takjes is aan den top
behaard (n) en deze behaarde plaatsen zijn de 6 stempels.
Óp gelijksoortige wijze zijn de stempels der Begonia's
ingericht. Daar verdeelt zich de dikke, korte en gladde
stijl aan den top in zes takken, waarvan elk een groo-
ten fluweelachtigen en spiraalvormigen stempel bezit; de
zes stempels zijn twee aan twee aan den voet met elkaar
verbonden. Bij de Weegbree (II) maakt de stempel (n>
met zijn korte dikke haren verreweg het grootste deel
van den hier onvertakten stijl uit. Stempels, die zeer
lange haren dragen, zijn b.v. die van het Zoutgras
(Triglochin) en de Grassen. De stempel (n) van het
Zoutgras (III) bevindt zich aan den top van een lang
driezydig vruchtbeginsel (/") zonder stijl, en bestaat uit
stijve, tamelijk harde, naar alle richtingen uitstaande
haren. De stempels (n) der grassen (b.v. van Arundo
Donax IV) hebben door de twee rijen lange haren on-
geveer het aanzien van een veer.
Nemen wij aan, dat een pollenkorrel op de een of
andere wijze op den stempel geraakt is, dan zal deze
door de oneffen oppervlakte worden vastgehouden. Waar •
de haren van den stempel lang zijn, vormen zij geza-
menlijk een zeer volkomen vangtoestel voor de kleine
stuifmeelkorreltjes. Bovendien — en dit is in ruime mate