Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
98
De hloem.
gesteund. Daar de schubben zijdehngs tegen elkaar slui-
ten, verkrijgt het geheele katje een rolronde gedaante.
Is het katje uitgebloeid, dan valt het in zijn geheel af,
terwijl bij de aar de bloemen eerder afvallen. De Haze-
laar, de Noot, de Populier, de Wilg, de Els, de Haagbeuk,
de Berk en andere boomen bezitten bloemkatjes.
5) De pluim. Zijn de
bijstelen vertakt en wel
zoodanig dat de onderste
meer takjes en dus ook
meer bloemen dragen dan
de bovenste, dan spreekt
men van een pluim. De
Sering levert er ons een
voorbeeld van.
Reiken de onderste bij-
assen even hoog als de
bovenste, zoodat alle bloe-
men in een plat of min of
meer gebogen vlak komen
te liggen (fig. 105), dan
duidt men de inflorescentie
liever aan door het woord
bloemtuil (VUer, Sneeuwbal). Steken de bijstelen
boven de hoofdas uit, dan spreekt men van speer.
Deze wordt bij fig. 104 voorgesteld, de afbeelding van
een Bloembies.
6) Het bloemhoofdje (fig. 106). De hoofdas ein-
digt in eene breede schijf die vlak is of min of meer
gewelfd tot kegelvormig toe. Vlak is zij b.v. bij de Paar-
debloem, waar ze het gemakkelijkst is waar te nemen,
wanneer de bloempjes in de pluisdragende vruchtjes.
Fig. 106.