Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
-96 De bloem.
omtrek naar het midden. Fig.. 98 levert een voorbeeld
•eener middelpuntzoekende, fig. 108 verduidelijkt
't geen wij verstaan door middelpuntvliedend.
Wij kunnen ons bij het onderscheiden van deze twee
hoofdsoorten van bloeiwijzen niet vergissen, wanneer
wij er slechts op bedacht zijn, het vrije uiteinde der
hoofdas middelpunt te noemen en dan te zien of
de bloem die daar geplaatst is, eerst opengaat of wel
het laatst. Zoo is in onze fig. 98 de hoogststaande
bloem nog zeer onontwikkeld, terwijl de lager geplaat-
ste reeds open zijn. Wij hebben om die reden hier met
een middelpunt-zoekende infiorescentie te doen.
De uitdrukkingen begrensde en onbegrensde
bloeiwijzen, die men wel eens in plaats van middel-
vliedende en middelpuntzoekende bezigt, hebben betrek-
king op de hoofdas en in verband daarmede het aantal
bijassen. Want terwijl bij de middelpuntzoekende bloei-
wijzen de hoofdas dikwijls zeer lang Avordt en zeer
vele bijassen 1® orde voortbrengt, blijft zij bij de an-
dere soort zeer kort en bedraagt het aantal bijassen
1® orde gewoonlijk slechts 2 of 1.
A. Middelpuntzoekende bloeiivijzen.
1) De tros. Deze (fig. 98) bestaat uit een hoofdas met
eenige bijassen, die in ontwikkelden toestand even lang
zijn en één enkele bloem dragen. Behalve de hier af-
gebeelde Druifhyacint, hebben ook de gewone Hyacint,
de Goudenregen, de Berberis en het Lelietje van
dalen een tros.
2) De aar (fig. 102a, p. 95). Deze infiorescentie is ge-
lijk aan de tros, maar de bloemen zijn ongesteeld of