Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
De bloem.
93-
30. met endosperm en perisperm beide, met perisperm.
Een blilv slaande op de verhouding tusschen den om-
vang van het kiemwit en de afmetingen van de zaadlob
of zaadlobben der kiem, valt het op dat als laatstge-
noemde groot zijn, het kiemwit n ie t of in geringe mate
voorhanden is, en omgekeerd bij rijkelijk kiemwit de
zaadlobben (resp. zaadlob) dun en vliezig zijn. In het
eerste geval zit het voedsel dat de ontkiemende plant
onderhoudt, in de kiem zelve (in de zaadlobben), in het
tweede geval daarbuiten (in het kiemwit).
Kleine kiemen en goed ontwikkeld kiemwit vindt men
bij de meeste Eenzaadlobbige planten; het zijn in hoofd-
zaak de Orchideeën en eenige familiën van waterplanten
van deze afdeeling, die het kiemwit missen ; daarentegen
vindt men bij Tweezaadlobbige planten beide gevallen
ongeveer even sterk vertegen^voordigd.
Over de zaadhuid, die den inhoud van het zaad omgeeft,
merken wij alleen aan, dat zij zeer verschillende kleuren
kan vertoonen en met allerlei aanhangselen kan voorzien
zijn. De zaden van Katoen en Kapok b. v. zijn geheel
en al door de zoo bruikbare haren bedekt, die van de
Muskaatnoot door een eigenaardig hulsel, zaadrok gehee-
ten (de foelie), terwijl in tropische gewesten de zaadrok
dikwijls tot een dik vleezig hulsel aanzwelt, dat het
eenige eetbare gedeelte van de vrucht uitmaakt. Zoo
0. a. bij de in O. Indië algemeen bekende Doekoe's en
Ramboetan's.
4. De rangschikking der bloemen {bloeiwijzen
of inflorescenties).
Men zal niet dikwijls zien dat een plant slechts ééne
of een stuk of wat bloemen bezit. Tot die planten be-