Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
De bloem.
zijn wandstandig en door een vliezig tusschenschot ver-
bonden. De hauw springt van onder naar boven open,
daarbij vallen de kleppen (de eigenlijke vruchtbladen)
af, maar de zaadlijsten blijven in vereeniging met het
zooeven genoemde tusschenschot op den vruchtsteel staan.
Men is gewoon deze vrucht hauw tje te noemen,
wanneer de breedte hoogstens driemalen door de lengte
wordt overtroffen (fig. 94). Een zeer groot aantal plan-
ten bezit hauwen en hauwtjes, nm. alle Crucifeeren of
kruisbloemige planten (d. w. z. die een kruisvormige
bloemkroon en vier lange met twee korte meeldraden
hebben). Wij noemen slechts de Pinksterbloem, de Muur-
bloem, den Judaspenning en het herderstasje.
Hauw en Peulvrucht vertoonen nu en dan een eigen-
schap, die wij niet met stilzwijgen willen voorbijgaan.
Wij bedoelen het voorkomen van dwarse tusschen-
schotten, die zóó geplaatst zijn, dat de zaden een voor
een in een afzonderlijk vakje zitten. Zulke gelede
hauwen en peulen springen niet open, maar verdeelen
zich in zooveel leedjes als er hokjes zijn. Een gelede
peul heeft Esparzette, ook het Vogelpootje, een gelede
hauw de Radijs.
9) De doosvrucht (fig.
96 en 97). De doosvrucht is
een droge, openspringende
vrucht, die uit twee of meer
vruchtbladeren ontstaan is. Van
de hauw is zij behalve door de
afwezigheid van het eigen-
aardige tusschenschot en de
wijze van openspringen, door
de meer gedrongen gedaante te onderkennen. De doos-
Fig. 96.
Fig. 97,