Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
De bloem.
85-
4) De gevleugelde dubbele dopvrucht (fig. 91) onder-
scheidt zich hierdoor van de gevleugelde noot, dat zij
twee hokjes en twee zaden bezit. Bij rijpheid laten de
beide gevleugelde deelen elkaar los en blijven aan een
tweespletigen vruchtdrager (ö) verbonden. Nog later
vallen de helften een voor een af. Een duidelijk voor-
beeld van dezen vruchtvorm biedt ons de Eschdoorn aan.
5) De dubbele
dopvrucht
(fig. 92) komt in
hoofdzaak met de
voorgaande over-
een, maar wijkt
er van af door
het ontbreken van
vleugels. In den
regel is hare op-
pervlakte met uit-
springende kanten — zoogenaamde ribben — voorzien,
somtijds ook stekels en haren. Anijs, Kervel, Peterselie,
Venkel en alle andere schermdragende gewassen bezitten
dubbele dopvruchten. Na het gezegde zullen ook de
drie-, vier- en meervoudige dopvruchten gemakkelijk
worden herkend.
6) De koker vrucht (fig. 83 III en VIII) is een
droge, openspringende, uit één vruchtblad gevormde, altijd
éénhokkige, in verreweg de meeste gevallen meerzadige
vrucht. Zij springt langs den buiknaad (waar de zaadlijst
zit) open, dus slechts aan ééne zijde. Gewoonlijk vindt men
Fig. 91.
Fig. 92.
') Van drie-, vyf- en meer-kluizige vruchten spreekt men. wanneer de af-
deeiingen bij het splijten der vrucht het zaad door een opening laten ont-
snappen, b.v. soorten van Geranium.