Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
-84
De bloem.
Grassen, zooals Rogge, Tarwe, Gerst enzv. en laat
zich gemakkelijk van de dop vrucht onderscheiden
door den samenhang van den vruchtwand met het inge-
sloten zaad, zoodat het pellen zonder daartoe ingerichte
werktuigen niet mogelijk is. Maar bij het pellen in den
pelmolen dient te worden opgemerkt dat niet alleen de
vruchtwand, maar tevens de zaadhuid wordt verwijderd.
2) De dopvrucht
komt voor bij de boter-
bloem, de paardebloem
en andere Compositae.
Bij deze vrucht laat zich
het enkele zaad onge-
schonden uit de holte
verwijderen. De dop-
vrucht is afkomstig van
één vruchtblad. Wanneer
de dopvrucht van een vliezige uitbreiding voorzien is,
zooals die van den Iep (fig. 90), dan spreekt men van
een gevleugelde dopvrucht.
3) De noot is van de dopvrucht, waarmee zij overi-
gens in hoofdzaak overeenkomt, te onderscheiden door
de grootere hardheid van den vruchtwand. Er komt
bij dat deze vruchtsoort altijd afkomstig is van een
samengestelden stamper, waarvan de hokken en zaad-
knoppen op één na gedurende de ontwikkehng zijn te
niet gegaan. De Noot is dus eigenlijk een samengestelde
vrucht. Evenals de dopvrucht kan ook de Noot gevleugeld
zijn, zooals die van den Esch en den Berk. Meestal wordt
de Noot van onder in het zoogenaamde napje inge-
sloten. Voorbeelden zijn de vrucht der Linde, van den tam-
men Kastanje, den Hazelnoot en den Eikel (fig. 89 c).
Fig. 88. Fig. 89.
Fig. 90.