Boekgegevens
Titel: Over de belangrijkheid, die het Nederlandsch onderwijzers-genootschap kan verkrijgen, voor de school, den staat en de kerk: redevoering ter opening der eerste algemeene vergadering van genoemd genootschap, den 31 mei 1844 te Groningen gehouden
Auteur: Hofstede de Groot, P.
Uitgave: Groningen: A.L. Scholtens, 1844
Opmerking: Overdr. uit: Nederlandsch tijdschrift voor onderwijs en opvoeding ; jrg. 1, 3e stuk
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. P.B. 14-2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203947
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Nederlandsch Onderwijzers-Genootschap, Redes (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Over de belangrijkheid, die het Nederlandsch onderwijzers-genootschap kan verkrijgen, voor de school, den staat en de kerk: redevoering ter opening der eerste algemeene vergadering van genoemd genootschap, den 31 mei 1844 te Groningen gehouden
Vorige scan Volgende scanScanned page
12
laat vooi tdurea, niet zaehtkens aan vermindert, en ein-
delijk in vriendschappelijke ondersteuning verandert.
Want ook inrigtingen en vereenigingen hebben een eigen
leven , en behoeven vrijheid en zelfstandigheid , om al
hare kracht te ontwikkelen.
Laat mij, in plaats van verder betoog, u hier op de
geschiedenis wijzen. Waarom zijn de meeste Staten van
Afrika nog wild en woest, niet of naauwelijks den naam
van Staten waardig? Waarom ontbreekt er däär zooveel
aan huisgezin en maatschappij, aan kerkbestuur en kunst
en wetenschap ? Er zijn huisgezinnen, maar waarinde
kinderen niet worden opgevoed ; er is eene maatschap-
pij , maar welker leden niets degelijks leeren ; er is een
Priestergezag, maar tol bijgeloof verleidend; er is eenige
kunstvaardigheid in ligehaamsoefeningen en eenige we-
tenschap van de voortbrengselen hunner landstreek en
de veranderingen der luehtgesteldlieid , maar zonder dat
deze bijna eenigen vormenden invloed op de menschen als
menschen uitoefenen. En waarom hebben zij nu huis-
gezin , maatschappij , godsdienst, zelfs iels naar kunst
en wetenschap zweemend , gelijk wij , zonder dat deze
eenen heilzamen invloed op den Staat uitoefenen en dezen
tot eenen beschaafden Staat verheffen gelijk bij ons? Het
is , omdat hun iets geheel ontbreekt, wat wij hebben —
Volksonderwijs. Wegens dit gebrek baat hun al het ove-
rige niet, wil het overige niet gedijen en voortkomen.
En de geschiedenis leert ook, dat, zal het Volkson-
derwijs zich op den duur gelukkig ontwikkelen en den
Slaat lol zegen verstrekken, dit Onderwijs vrij en zelfstan-
dig moet zijn. Zoolang hel onder de voogdij , b. v. der
godsdienst of liever van een Priestergezag, is, kan het
zich wel tot eene zekere hoogte verheffen, maar blijft
dan ook onbewegelijk op deze staan. Zoo was het in het
oude Egypte. Onder het bestuur eener beschaafde Priester-
kaste was däär reeds in Abrahams, Jozefs en Mozes lijd
eene zoo groote kunstvaardigheid en wetenschap, eene
dusdanige weelde en eene zoo welgeregelde maatschappij,