Boekgegevens
Titel: Over de belangrijkheid, die het Nederlandsch onderwijzers-genootschap kan verkrijgen, voor de school, den staat en de kerk: redevoering ter opening der eerste algemeene vergadering van genoemd genootschap, den 31 mei 1844 te Groningen gehouden
Auteur: Hofstede de Groot, P.
Uitgave: Groningen: A.L. Scholtens, 1844
Opmerking: Overdr. uit: Nederlandsch tijdschrift voor onderwijs en opvoeding ; jrg. 1, 3e stuk
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. P.B. 14-2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203947
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Nederlandsch Onderwijzers-Genootschap, Redes (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Over de belangrijkheid, die het Nederlandsch onderwijzers-genootschap kan verkrijgen, voor de school, den staat en de kerk: redevoering ter opening der eerste algemeene vergadering van genoemd genootschap, den 31 mei 1844 te Groningen gehouden
Vorige scan Volgende scanScanned page
kennen en het heil der School te bespreken, ook schrif-
telijk konden zij weinig van elkander leeren. Voorheen
werden de jaarlijksche overzigten der Coniniissieën van
Onderwijs in de Bijdragen medegedeeld ; nu niet meer.
Wij hebben nu niets dan een zeer kort en daardoor reeds
voor ons weinig beduidend jaarlijkseh verslag van de Rege-
ring aan de Slaten-Generaal, waaruit, ter onzer vorming
en aanmoediging , zelden iets te leeren valt. Het School-
wezen was dus in Nederland zonder verband en weder-
keerige niededeeling. Het goede, 't welk in de eene
Provincie bestond , was en is dikwijls in de naastbij-
gelegene , wat zeg ik? het goede, 't welk in het eene
District aanwezig is, is vaak in het daaraan grenzende
District van hetzelfde gewest, niet bekend. Slechts het-
geen men uit de Nieuwe Bijdragen, en uit een paar
Weekbladen in de jongste maanden ontstaan, verneemt,
weet men van elkander ; maar hoe (laauw , hoe onbe-
stemd , hoe weinig opwekkend, hoe onzamenhangend en
onduidelijk is zulk weten doorgaans?
Wij zeggen dus niet te veel, als «ij het luide uit-
spreken , dat er dusverre geen verband bestond tusschen
de menschen, aan welke het Onderwijs in Nederland is
aanbevolen. Dat zoo wenschelijk verband is er nu in
ons Genootschap. Uit elk Gewest van Nederland zijn hier
afgevaardigden of lasthebbenden tegenwoordig , en be-
halve deze ééne jaarlijksche bijeenkomst is er eene ge-
regelde briefwisseling, die eiken dag kan plaats hebben,
en zonder omslag, van de Hoofd vereeniging uit door Ge-
westelijke en Plaatselijke Vereenigingen henen, tot ken-
nis aller leden kan komen. Er is dus schriftelijke
niededeeling en persoonlijke zamenspreking ; er is een
band , die nu reeds velen omval en eens het geheel kan
omstrengelen van hen , die aan het Nederlandsche School-
wezen werkzaaam zijn.
En hoedanig is dit verband ? Ik noemde het hel regte.
Du is veel en locli niet te veel gezegd. Het is een