Boekgegevens
Titel: Driehonderd volzinnen, zijnde spreuken, opstellen, enz.: ter verbetering voor de hoogste klasse eener lagere school
Auteur: Allirol, J.
Uitgave: Tiel: Wed. D.R. van Wermeskerken, 1861
3e dr
Opmerking: De 1e dr. (1850) o.d.t.: Driehonderd volzinnen, spreuken, opstellen, enz
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 92-155
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203906
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Spelling, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Driehonderd volzinnen, zijnde spreuken, opstellen, enz.: ter verbetering voor de hoogste klasse eener lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
welke hij meende dat voor lang dood gegaan
was, toevallig ontmoettende zijde tegen hem:
ben jij daar? wel dat ziet er Hef uit! je bent
immers dood? — Dat ziet grj dunkt mijn wel
anders, voerdde de andere hem toe. — Ja maar
hoort eens, antwoorde den boterik, hij, dien
mij uw dood bericht heeft, houdt ik voor net
zoo geloofwaardig dan uw.
147. Een even slim mensch (over schouder) hieldt
de vriendschap met twee broeders, die tweeling
waren. Eenen van deze broeders storf' en on-
zen leepert ontmoete kort daarop de andère en
vroeg heel bedaardt, of het hij was, dien over-
leeden had, dan of wel zijnen broeder.
148. Op zeker deurbordtjen stond: den Heer M____
en Zoon makelaar in olijkoeken en leinmeel. —
Zou hier ook het teeken vergeeten weezen? —
149. Het metaal verhart de aarde, geldt verhard als
't ware de menschen hunne herten.
150. Die hem tot de strijt aangort, beroemde zich niet
alsof hij zich ontgord, dat is, dien- de strijdt
begint snoeve niet alsof hij reeds al op zijn lau-
wers ging te rusten.
151. Ja gelukkig zijn wij alle, wie de deugd het
hart doet slaan.
152. Ledigheid is de roest des levens, vernielende en
bedervende zeer veel.
153. De beste medegezellen in de ledige uren zijn de
goede boeken.
154. Linnaeus verdeelde het dierrijk in zes klas-
sen. Tot den eerste behoort die dieren, die
warm root bloed hebben, en levendige jongen