Boekgegevens
Titel: Parijs in Amerika
Auteur: Laboulaye, Édouard René Lefebvre; Falkland, Samuel
Uitgave: Rotterdam: Nijgh, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: PK 69-50
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203708
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Parijs in Amerika
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
//Mijn God, zegen dit huis, met al die zich er in be-
vinden. Zegen vooral hen die dit huis gaan verlaten.
Moge gij, Algoede Heer in den Hemel, onder hen nooit
anders dan reine en eerbiedige harten vinden!"
uAmenT'' — antwoordde ieder op een toon, die zulk eene
oj>regtheid ademde, dat ik niet meer wist wat te denken.
Ik staarde mijne vrienden, mijne kinderen, mijne vrouw
aan: Green, die met zoo weinig ophef de fortuin van
mijn gezin maakte; Henri, die reeds op zestienjarigen
leeftijd door eigen arbeid eene onafhankelijke positie be-
geerde en noch voor gevaar, noch voor het verblijf in
den vreemde terugdeinsde; Susanne en Alfred, die elkaar
zo(.) teer en zoo rein beminden; mijne vrouw eindelijk,,
mijne goede Jenny, die nooit aan zich zelve en altijd
aan anderen dacht — zorgvuldig, trouw, het leven en de
ziel van het huis, de koningin van dien bijenkorf, die
weldra door de zwerm zou worden verlaten!
En ik, nuttelooze hommel, die niets anders kon dan
brommen, ik dacht er aan, dat ik weldra alleen zou zit-
ten onder het dak, waaronder vroeger, door de aanwezig-
heid van Susanne en Heni'i, zoo veel vreugde heerschte ?
Kose had negen kindeven; Green had er vijftien; God
zegent de gezinnen, die talrijk zijn, en wanneer wij wijzer
willen wezen dan de Voorzienigheid, dan wordt onze be-
rekening beschaamd en zien wij ons, aan de eindpaal van
ons leven, tot de eenzaamheid gedoemd, waarnaar we in
onze vermetelheid zelveu hebben gestreefd.
En ik wierp een doordringenden blik op mijne vrouw;
ze zag er nog zoo jeugdig en zoo frisch uit; en ik zet
zoo tegen mij zeiven......
Ik weet niet meer wat ik tegen mij zeiven zeide, want
plotseling vloog Zambo de kamer binnen met den kreet:
//Brand! Hoor maar, —de noodklok! Brand!