Boekgegevens
Titel: Parijs in Amerika
Auteur: Laboulaye, Édouard René Lefebvre; Falkland, Samuel
Uitgave: Rotterdam: Nijgh, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: PK 69-50
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203708
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Parijs in Amerika
Vorige scan Volgende scanScanned page
195
"g'j vergeet dat gij een man voor u liebt, dien al de gekroonde
hoofden van Europa met ridderorden overladen hebben!"
,/VVel zeker!" — riep ik uit: ,/Spreek mij van ridder-
orden ! Men tooit een boek vol non sens met een
rood marokijnen band, zendt het den gezant eener mo-
gendheid, en onmiddelijk daarna wordt men ridder van
de krokodillen-orde en grootkruis van het Chimpanzé!
Ridderorden! Dat zijn aalmoezen, die de vorsten aan de
bedelaars in de litterarische wereld toewerpen."
,/Weet gij wel, mijnheer!" riep Olybrius uit, wien het
schuim van kwaadheid op de lippen stond: vweet gij wel
dat ik reeds op dertigjarigen leeftijd met algemeene stem-
men door de academie van geneeskunst als lid in haar
midden werd opgenomen ?"
//Met algemeene stemmen?" ZGl ik! // dan had ik meer
gelijk dan ik het zelf dacht! Hadt gij werkelijk talent
bezeten, dan zoudt gij ook vijanden gehad heljben —,
dan zou men u minstens tot op zestigjarigen leeftijd aan
de deur der academie hebben laten wachten, en dan
nog zoudt gij slechts met de meerderheid van eene
enkele stem, in haar midden opgenomen zijn. De
gekken en domkoppen, hinderen daarentegen niemand;
zij verwekken bij niemand naijver; daarom treden ze dan
ook de academie binnen, zonder eenig verzet in het leven
te roepen!"
De kolonel had een hevige lachbui. De advocaat daar-
entegen trok Olybrius ter zijde en fluisterde hem een
)aar woorden in het oor, die het vermogen hadden een
achje om de dunne lippen van den doctor te tooveren.
Daarna gaf hij een wenk aan den kolonel en alle drie
belegden toen in een hoek der kamer een geheimen raad,
die mij in het geheel niet aanstond. Ik liep de kamer
met groote schreden op en neder, en was juist op het
punt die Heeren hunne onbeschoftheid te verwijten, toen
Olybrius plotseling zijn hoed greep en zonder te groeten
de kamer verliet.
De kolonel trad op mij toe; er lag eene wonderlijke
uitdrukking in zijne grijze oogen.
. 13*