Boekgegevens
Titel: Parijs in Amerika
Auteur: Laboulaye, Édouard René Lefebvre; Falkland, Samuel
Uitgave: Rotterdam: Nijgh, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: PK 69-50
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203708
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Parijs in Amerika
Vorige scan Volgende scanScanned page
174
„Amen I" zeide Susanne, „Amen," zei ook Martha, en
de drie vrouwen vingen aan te weenen, terwijl Zambo
zich een zakdoek in den mond stopte om zijn klaagtoo-
nen te smoren.
Ik strekte de armen naar hen uit, toen Jonathan plot-
seling weder opwaarts vloog, mij met zich medeslepende.
In een ommezien hadden wij de stad achter ons gelaten
en na de stad verdween het land en de bosschen Mijn
oor vernam niets m3er dan het ruischen van den wind
en het geklots der golv^en. Mijn oog staarde, als ware
het de bodem eens afgronds, op de zee, wier oppervlakte
glinsterde onder het flaauwe schijnsel der maan. Ik be-
vond mij op tien duizend voeten boven den oceaan.
„Kom!' zei Jonathan met zijn gewonen grijnslach:
„laten wij thans eens een beetje keuvelen; ik geef je het
spraakvermogen terug."
„Monster!" gilde ik: „hoe lang zal ik nog gedoemd
zijn, uw slagtoffer te wezen?'
„Sakkerloot!" antwoordde hij: „gij zijt niet zeer be-
leefd ! Ik ben vermoeid, heb reeds veel clectriciteit ver-
loren en kan bij geen mogelijkheid meer dan honderd
mijlen in het uur afleggen; we kunnen derhalve eerst
morgen ochtend te Parijs aankomen. Gij moet den ge-
lieelen nacht in mijn gezelschap doorbrengen. Wees dus
handelbaar, anders vervelen we ons beiden."
„Handelbaar'" riep ik woedend, half waanzinnig, want
mijne regtmatige verbittering tegen Jonathan daargelaten,
hing ik nu reeds sedert zes uren aan mijne eenige vlok
haar, hetgeen me schrikkelijk zenuwachtig maakte en mij
een geweldige hoofdpijn begon te veroorzaken. „Handel-
baar I" riep ik: „Ik zal mij niet verlagen verder naar u te
luisteren, veel minder u een enkel woord antwoord te geven !"'
„Dit laatste staat misschien in uwe magt, maar hoe
gij het aanleggen zult om niet naar mij te luisteren, is
mij niet regt duidelijk" — zei hij, met tergenden spot.
„Ieder woord dat gij verder tot mij spreekt, zal ik als
eene beleediging beschouwen, waarvoor gij mij vergoeding
zult hebben te geven!"