Boekgegevens
Titel: Parijs in Amerika
Auteur: Laboulaye, Édouard René Lefebvre; Falkland, Samuel
Uitgave: Rotterdam: Nijgh, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: PK 69-50
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203708
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Parijs in Amerika
Vorige scan Volgende scanScanned page
124
/
eersten den besten prijs geeft, strijd ik alléén voor een
eenig symbool, voor eene éénige wet des geestes —, en
om die wet te handhaven, roep ik zoo noodig de hulp in
van den sterken arm!"
ff Ziet ge wel, Naaman," hernam Truth: vdat het een
heiden is? Het is een van die aanbidders van 't geweld,
die zich verbeelden dat men waarheid decreteert, even
als men gewone wetten op 't papier kladt!"
(/Neen!" hernam ik: //Zóó belagchelijk ben ik niet.
Ook ik verlang waa'heid, maar daarom ben ik nog niet
blind voor de fouten der utopisten. Voor hen is de waar-
heid een algemeen geneesmiddel, een panacé, dat allerwege
het kwaad geneest en de dwaling verbant. De ondervin-
ding heeft mij evenwel minder ligtgeloovig gemaakt. De
wereld is geen academie van wijsgeeren, die vreedzaam
over de gedrochtelijkste théorieën beraadslaagt. Het volk,
die veelhoofdige hydra, is eene vereeniging van zwakken,
(m wetenden, dwazen, verdor venen en misdadigen Omdat
volk te bedwingen en te besturen, is een breidel noodig.
Die breidel is de godsdienst, gehandhaafd en opgelegd
door een vreemd gezag. Indien de Staat niet de zaak der
Kerk in handen neemt, dan is het met het Christendom
gedaan —, dan is de maatschappij overgeleverd aan gods-
verloochening, regeringloosheid en revolutie. Daarom
mijne heeren, geloof ik, aan de noodzakelijkheid van den
sterken arm —, aan de heiligheid van stoffelijk geweld
ten dienste van de waarheid. Ben ik daarom een heiden,
omdat ik, naar het voorbeeld van den H. Augustijn, van
Bossuet en zoo vele andere uitstekende Christenen, van
Oalvijn zelfs gezwegen, eisch en blijf eischen dat de bur-
gerlijke maatschappij hare soldaten aan de Kerk leene?
met andere woorden : dat de Staat een godsdienst hebbe?"
Daar verhief zich eene reuzengestalte, een geestelijke,
«lie den naam van Brown droeg:
//Eene Staatskerk," riep hij : //wat is dat vooreen monster?
Heeft de Staat een ziel? Zoo neen, hoe kan de Staat als
zoodanig dan een godsdienst hebben ?"
//Gij," antwoordde ik eenigzins geraakt: »gij geeft zeker