Boekgegevens
Titel: Parijs in Amerika
Auteur: Laboulaye, Édouard René Lefebvre; Falkland, Samuel
Uitgave: Rotterdam: Nijgh, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: PK 69-50
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203708
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Parijs in Amerika
Vorige scan Volgende scanScanned page
93
baasde volksmenigte vertoonde, dan een paar zwarte dui-
veltjes, die uit roode vlammen te voorschijn sprongen
met witte pakken in de hand. De namen van Gyeen
en Sinifh, onder dat prachtige schilderstuk, maakten het
mij duidelijk, dat men op die wijze het gebeurde tijdens
den brand had willen verheerlijken. De bedoeling bleek
nog duidelijker uit eene calèche, die een deel van den
optogt uitmaakte; in dat door vier rijk getuigde paarden
getrokken rijtuig, zaten namelijk de vrouw en het kind,
die Green en ik uit de vlammen hadden gered! Het was
een ware triomftogt. Het volk, verteederd door den aan-
blik van moeder en kind, gaf aan zijne geestdrift door
hoera's! en bravokreten lucht. De oppositie was doordat
transparant met die calèche, voor goel geslagen. Litile
kon toch op dat terrein niet tegen ons wedijveren. Ten
onzen behoeve vertoonden onze vrienden de personen aan
het volk, die ons het leven te danken hadden; wien nu
zoude Little door de straten hebben kunnen rondvoeren?
Een aantal geruïneerde aandeelhouders? Maar het publiek
ziet die kaalgeschoren schapen iederen dag en de optogt
voor Little zou derhalve slechts fiasco hebben kunnen
maken.
Des nachts werd ik door een vreeselijken droom ge-
kweld.
Was het een droom?
Jonathan Dream stond plotseling aan mijn ledekant.
Hij droeg de uniform van een Fransch gendarme. Was
ik dan weder te Parijs, in het genot van het vaderlijk
bestuur van Zijne Majesteit Napoleon III?
Ja wel! Dat moest zoo zijn, want de gendarme haalde
een ganschen stapel gezegeld papier uit den zak en toen
ik, bleek van schrik, den mond opende om te vragen wat
dat alles toch beteekende, brulde hij mij toe:
//Silence hoiirgeois! Men zij niet onredelijk genoeg om te
i/redeneren tegen het openbaar gezag, dat nooit redeneert,
//omdat het geacht moet worden altijd redelijk te zijn en
//redelijk te handelen!" —,
en daarop notificeerde hij mij: