Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
79
lonpen, zoodat dus dat ligchaam, hetwelk den grootsten afstand heeft, het snel-
ste zich beweegt, zijn de middelpuntvliedende krachten tot elkander, als hunne o/-
standen van hei middelpunt. Zijn daarenboven de massaas ongelijk, dan staan de
krachten tot elkander als dc producten van elks massa en elks afstand van hei mid'
delpnnt.
4'. Als gelijke gewigten op gelijke afstanden van het middelpunt zich bewegen,
maar dc cirkels daardoor ontstaan, in ongelijke tijden doorloopen, zoo zijn h unne
krochten lot elkander in de omgekeerde reden van de vierkanten der omloopstijden.
Werden, hij voorbeeld, twee gewigten, ieder van een pond zwaar, en aan eene
koord van eene el lengte verbonden, rond bewogen, en wel zoodanig, dat het
eerste (jc-wigt den cirkel in 1 seconde, en het laatste in 2 seconden doorliep, zoo-
dat dus het eerste zich tweemaal sneller bewoog dan het laatste, zoo zouden
hunne krachten tot elkander staan als 4 tot 1. Van daar is het dan ook dat
. men, hoe sneller dc vverpslinger ronddraait, des temeer de trekkende kracht aan
de koord ontdekt.
Dit zijn de voornaamste wetten, naar welke de middelpuntskrachten zich la-
ten bepalen. Om deze wetten te bewijzen gebruikt men een toestelletje, waar-
van fig. 27a eene afbeelding geeft. In een houten bord J van 4 tot 5 palm
lang is een plankje
Fiq. 27a. „ , . , , ,
B door middel eener
schroef C verschuif-
baar. Op het plankje
B staat een? as a
waar om een ijze-
ren rad of houten
schijf kan draaijen.
Dit ronddraaijen ge-
schiedt door een
loodregt op het rad staand handsvat r. Aan de andere zijde van het houten
bord is een opstaand omgebogen ijzer £ bevestigd, dat eene as D vasthoudt, om
welke eene rol draait, die door eene riem zonder eintl met het groote rad ver-
bonden is, even als men dit bij een' scharenshj[>ers-wageu kan opmerken. Het
is duidelijk, dat door de schroef C de riem steeds strak kan gespannen worden.
Stelt nu dat het groote rad 10 maal grooter omtrek heeft dan het kleine, zoo
gaat ook het laatste D 10 maal rond tegen het eerste eenmaal. Door zulk een
werktuig kan men dus eene groote omwentelingssnelheid verkrijgen. Op de as
bij D kan men allerlei soort van toe-
Fig. 21b.




stellen bevestigen. Om bij voorbeeld
de der genoemde wetten te te bewij-
zen, plaatst men door middel van den
balsa (zie fig. 27^) het toestelletje bc
op dc as 7) in fig. 27». Dit werktuigje