Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
75
r
0 [ \
f 7/i \
eerste tijJdeel tot aan i, in het tweede tot aan c, in het derde tot aan in het
vierde tot aan c gekomen zijn enz.
hig. 24. Werkt de zwaartekracht alleen op
den bal, en stelt af de ruimte voor,
; die een ligchaam, in een gelijk tijd-
deel als boven, vrij zou vallen, dan
zal fgy gelijk aan driemaal af, de
ruimte van den val in het tijd-
I deel, g h gehjk vijfmaal a f die in het
3^®, en h 1, gelijk aan zevenmaal a ƒ,
de ruimte in het 4^® tijddeel voorstel-
n len, die het ligchaam vrij vallen zal.
Wel nu, dan moet immers de bal in
het eerste tijddeel zich tusschen a 6 en af langs de hoekpuntslijn a A: bewegen;
in het tweede tusschen k o en kp, langs k l; in het 3'^® tusschen Iq en Ir langs
l m, en in het tusschen de krachten ms en mt langs de hoekpuntslijn m n
voortgaan, en daarop den grond {in) vallen? — Kik tijddeel, en dus ook de
valruimte af, kan ondenkbaar klein genomen worden, waardoorook dc punten
a, k, l, m en n veel digter bijeen zullen vallen en de bewegmgslijn an, door de
aaneenschakeling van al de regte lijntjes, eene bijna volkomen gebogene gedaante
verkrijgen. Op dergelijke wijze geschiedt ook de beweging van een schuin in de
hoogte geworpen ligchaam, bij voorbeeld, van eenen kanonskogel. Deze rijst
eerst boogsgewijze tot een zeker punt met eene vertragende, en daalt daarna we-
der insgelijks kromlijnig met eene versnellende beweging. Ook deze kromme
lijn kunnen wij even als de voorgaande zigtbaar voorstellen. Laat a e (fig. 25)
de rigting zijn, waarin een kogel uit een kanon wordt geworpen, met eene
kracht, die hem in eene seconde van a tot b zou voeren; dan zal, in geval de
zwaartekracht buiten werking blijft, ;n de tweede seconde de kogel van b tot c,
in de derde vanc totd enz. geloopen zijn. Werkte de zwaartekracht alleen op
het ligchaam, en stelt af de ruimte voor, die het in de seconde zoude door-
loopen, dan zal ƒ^ die ruimte in de seconde, gh die in de 3<ïeenz. voorstel-
len. Nu zal immers de kogel, even als in het voorgaande geval, zich in de
seconde tusschen af en ab bewegen, in de 2'^® tusschen kpzzz.bc en ko — fg,
in de 3^® tusschen Ir zrr cd en Ig zzz gh enz. en dus weder de kromme lijn
aA:/mn beschrijven? Deze kromme lijnen zijn in de wiskunde bekend onder den
naam van parabolen en kunnen zeer naauwkeurig berekend worden. De weg,
dien dus een kogel neemt, kan bepaald, en evenzeer de rigting gevonden wor-
den, die het kanon of een mortier hebben moet, om het uitgeworpene ligchaam
eenen loop te doen nemen, geschikt, om eenig punt bij zijne nederdaling te tref-
fen. Wordteen kanon evenwijdig aan den grond of in eene horizontale rigting
afgeschoten, zoo heeft de val des kogels op de aarde bijna gelijktijdig plaats met
dien van eenen kogel, welke op denzelfden oogenblik, waarin de eerste vertrekt.