Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
mmmm
72
Fig. 23.
Tot hiertoe zijn wij door redenering tot de erkenning gebragt van de waar-
heid der wetten, volgens welke de ligchamen vallen; thans verneme men,
op welke wijze men zich door proefnemingen hiervan heeft overtuigd. Deze
proeven kunnen niet met ligchamen ge-
schieden, die aan den vrijen val onderwor-
pen zijn, waut de snelheid neemt bij deze
zoo zeer toe, dat het na weinige oogenblik-
ken niet meer mogelijk is, om den weg,
door hen doorloopen, gade te slaan. Het
was de scherpzinnige engelsche natuur-
kundige Atwood, die een werktuig uit-
vond, om de beweging der vallende lig-
chamen naar verkiezing te verminderen,
zonderde wet van valling in het geringste
te veranderen. Ik wil u de eenvoudigste,
maar voornaamste bestanddeelen van dit
vrij zamengestelde werktuig verklaren
(zie fig. 23).
a is een rad, dat zeer gemakkelijk en
met eene hoogst geringe wrijving om de as
b draait. Het heeft op den omtrek eene
uitholling, om eene fijue zijden koord over
zich te laten bewegen, aan welker beide
einden twee gelijke, cilindervormige ge-
gewigten m en o hangen in welke stel-
ling men nu'ook die gewigten m en o
brenge, zij zijn altijd in evenwigt en be-
wegen zich derhalve volstrekt niet. Men
legt op een hunner, m, een zeer klein ge-
wigt n; daardooris het evenwigt verbro«
ken, en het gewigt n voert dat, waarop
het ligt, mede naar beneden, terwijl het
't andere O noodzaakt te stijgen. Maar welke beweging vloeit nu hieruit \oort?
Stelt, dat elk gewigt m en o vijfons, het gewigtje n een lood weegt; dan zal
de hoeveelheid van bewegmg, die dit lood bezit, eene massa van 10 ons of 100
lood in beweging moeten stellen, want de beide gewigtcn m en o dragen, waar
zij ook verplaatst worden, hiertoe niet het minste bij. De hoeveelheid van be-
weging der massa n is, wanneer zij valt, iu 1 seconde 1 X 4j^ = 4> Ölood, welke
grootheid, dat ik het nogmaals herhale, door het aanbrengen der beide massaas
men O niet wordt vermeerderd. Daar nu de massa van 1 lood tot 101 lood is
aangegroeid, en de hoeveelheid van beweging dezelfde is gebleven, zoo moet de
snelheid ook 101 maal verminderd zijn geworden (zie de 15^® les). De beide ge-