Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
71
gen; zoo gerraagJ wierd, hoeveel wegs het indien tijd heeft afgelegd, moet men
het vierkant van den tijd, dat is 36, met el vermenigvuldigen; — in
geval de vraag ware, hoeveel ruimte het ligchaam in die 6^® seconde heeft door-
loopen, moet men het product zoeken van het 6^® onevene getal, dat is van 11
en het getal 4>9'
De wetten, volgens welke de vrije val der ligchamen plaats heeft, blijven al-
tijd dezelfde: zij kunnen dus ook, hoewel ineen' omgekeerden zin, worden toege-
past op ligchamen, die met eene eenparige snelheid lijnregt naar de hoogte stij-
gen. Deze verliezen élk oogenblik iels van hunne oorspronkelijke snelheid. Een
ligchaam, met eene zekere snelheid loodregt opgeworpen, stijgt, uit hoofde van
de aantrekkingskracht der aarde, met eene gelijkmatig vertragende beweging zoo-
lang, tot de zwaartekracht de geheele verkregene snelheid heeft uitgeput. Oj>
het tijdstip, dat zulks plaats heeft, is bet ligchaam een ondenkbaar kort oogen-
Iblik in rust, en begint daarna te vallen. Gedurende dezen val is dezelfde zwaar-
tekracht der aarde werkzaam, die zich bij de opstijging kenmerkte. Zij moet bij
gevolg in beide gevallen hetzelfde opliet ligchaam uitwerken, lïeeft zij dus eerst
in zekeren tijd de geheele snelheid, die aan het ligchaam bij de opstijging gege-
I ven was, te niet gedaan, dan moet zij er in denzelfden lijd op het einde van den
val ook weder dezelfde snelheid aan terug gegeven. Helderen wij dit door een
voorbeeld op!
Stelt eens een ligchaam wordt inde hoogte geworpen met eene snelheid, die
het in elke seconde 50 el doet afleggen. Dewijl de zwaartekracht een vallend lig-
chaam na het einde van 1, 2, 3, 4» 5 enz. seconden eene snelheid geeft van 10,
20, 30, 40> 50, enz. ellen, (wij hebben hier voor het gemak de ware snelheid,
1 die 9,812 el in de V seconde bedraagt, gelijk aan 10 el gesteld), welke snelheid
tegenovergesteld is aan de rigting, waarin de beweging van het opgeworpen
ligchaam geschiedt, zoo is het duidelijk, dat de snelheid van het klimmende lig-
chaam aan het einde der seconde zijn zal: 50 — 10 ;r:40el; aan het einde
der 2de seconde 50 — 20 = 30 el; aan het einde der 3^® seconde 50 — 30 — 20
j el; der 4'^® 50 — 40 — 10 el en aan het einde der 5*^® 50 — 50 0. Na dezen
j tijd begint het ligchaam te vallen en zal aan hel einde der 5de seconde weder
i eene snelheid van 50 el in de seconde verkregen hebben. Indien derhalve een
kanonskogel loodregt in de hoogte wordt geschoten, stijgt hij met eene eenpa-
rig vertragende beweging op, verliest na eenen bepaalden tijd, op een zeker punt
de verbazende snelheid, waarmede hij van de aarde is vertrokken, keert vervol-
gens met eene eenparig versnellende beweging in denzeifden tijd terug, en heeft
op het einde van zijnen val weder eene snelheid ontvangen, gelijk aan die, met
welke hij de aarde verliet. Het spreekt van zelf, dat de tegenstand der lucht
hierbij niet in aanmerking is genomen.
Wilt gij op eenige belangrijke werkstukken de verklaarde wetten van
den vrijen val toepassen, gij zult daartoe in andere werken ruime gelegenheid
vinden.