Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
67
Waarom gaat eene boot of sloep regt vooruit, door aan het achtereinde van
het vaartuig een' roeiriem, onder eene zeer groote helling op het water vlak,
heen en weder te bewegen?
Waarom doet de kracht van den wind op de wieken der molens, en die
van het water op de schepraderen der watermolens, de wieken en de raderen
ronddraaijen?
W^aarom heeft de slag met eenen stok te minder kracht, naarmate men
de rigting, waarin men slaat, schuiner neemt; en zoo ook met het werpen
van eenen bal tegen eene vlakte.
W^aarom moet men bij het indrijven van eenen spijker in het hout hem
regt op den kop slaan ?
ZEVENTIENDE LES.
De gelijkmaligc \ersnelleii(le en verlragende beAveging
(Ier ligeliameii.
De wetten der vrijvallende ligchamen.
Gij hebt gezien, dat de zwaartekracht geheel onafhankelijk is van de stof
der ligchamen; dat zij toeneemt, naarmate de massaas grooter worden, dat
is, naarmate het aantal stofdeelen aangroeit; dat zij het is, die de ligchamen
doet vallen; dat dc aarde elk stofdeeltje, ieder afzonderlijk, even sterk aantrekt.
Uit dit laatste maken wij dit merkwaardig besluit op: de ligchamen worden
allen door de zwaartekracht even snel naar de aardoppervlakte bewogen. Oefent dus
een ligchaam in zijnen val meer kracht uit dan een ander, dat van gelijke
hoogte de aardoppervlakte nadert, dan ligt dit alleen in dc meerdere massa,
of het grooter aantal stofdeelen, waardoor natuurlijk de hoeveelheid van be-
weging of de som der zwaarte van al de deeltjes vergroot wordt.
Deze stelling schijnt in strijd met de dagehjksche ondervinding. Wanneer
men van zekere hoogte een' steen en een stukje papier laat vallen, is de eerste
veel spoediger beneden dan het laatste; deze ligchamen hebben zich niet even
snel bewogen. Dikwerf zag men ligte vederen lang heen en weder zweven,
en een stukje lood aanstonds naar beneden vallen. Dit is zoo; — maar de
aarde is door een lucbtklecd omringd, dat door het vallende voorwerp moet
doorboord, en welks deelen moeten verplaatst worden? Zij, de lucht alleen,
is de oorzaak, dat het lood zich sneller naar de aarde beweegt dan eene veér;
in de veer liggen de atomen meer verspreid, zij moet dus een grooter aantal
luchtdeelen wegdringen. Hetzellde verschijnsel toch ontdekt men in het water,
zoo men daarin verschillende zelfstandigheden laat zinken; en hier valt het