Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
66
genomen, en gezamenlijk juist in het midden, tusschen 8 en 12 in q worden
opgehangen, dan blijft er evenwigt bestaan, omdat de 5 pond in q eveneens
werkt, als de 5 ponden, die vroeger verschillende aangrijpingspunten hadden.
Dit zal ook het geval zijn, wanneer de 7 afzonderlijke ponden, die links han-
gen, worden weggenomen en allen midden tusschen 1 en 7 in het punt p
worden opgehangen. Daar er nu eigenlijk in den toestand der staaf niets is
veranderd, en de 5 pond in benevens de 7 pond in p, dezelfde werking
op de staaf uitoefenen als vroeger de 12 enkele ponden, zoo blijft het aangrij-
pingspunt der resultante in c, en deze is weder gelijk aan 12 pond. Nu ligt
c evenwel niet meer op gelijke afstanden van p en q. De afstand c q is ge-
lijk aan 7 halve deelen en c p gelijk aan 5 halve deelen. Het kleinste gewigt
q ligt dus op den grootsten afstand van c, en p op den kleinsten, en wel zoo-
danig, dat het aantal ponden in 7, dat is 5, vermenigvuldigd met den afstand
c 7 of 7, gelijk is aan het getal ponden in p, dat is 7, vermenigvuliligd met
den afstand c p of 5. Korter uitgedrukt , p Xcp — qX cqof7 X 5
— 5 X 7 of p : q 1= c q : c p. Dit is eene algemeene wet. Twee even-
wijdige, naar dezelfde zijde werkende krachten, hebben eene resultante, die gelijk
is aan de som der beide krachten, en wier rigting evenwijdig is aan deze. Het
aangrijpingspunt dier resultante ligt op zulke afstanden van de beide gedeeltelijke
krachten, dat zij omgekeerd evenredig zijn met de grootte dier beide krachten.
Deze waarheid verschaft het middel, om de resultante van 3 of meer even-
wijdige krachten te vinden. Daartoe zoekt men eerst de resultante en haar
aangrijpingspunt voor twee der gedeeltelijke krachten, en daarna de resultante
van de reeds verkregene en eene der overige krachten, waardoor men dan,
zoo voortgaande, de vraag ziet opgelost. Wij zullen hieromtrent niet in meer
bijzonderheden treden; gij zult u in dit opzigt verder kunnen oefenen door
het wis- en werktuigkundig leerboek, uitgegeven door de maatschappy tot
Nnt van't Algemeen, of door de voortreffelijke Mechanica van Delaunay, ver-
taald en omgewerkt door Delprat.
Toepassingen.
Waarom zal een bal, uit den top van den mast van een snelzeilend
schip los gelaten, onder tegen den voet van den mast nederkomen ?
Waarom springt een kunstrijder, indien hij gedurende den rid van zijn
paard over eene koord wil springen, hjnrcgt in de hoogte, wanneer hij bij de
koord is, en neemt hij derhalve eenen geheel anderen sprong, dan hij op den
grond doen zoude?
Waarom kan men een kersensteen, door dezen tusschen duim en vinger
sterk te drukken, regtuit voort doen gaan ?
Waarom kan men met denzelfden wind schepen naar verschillende rigtingen
sturen, zelfs bijna tegen den wind in?