Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
64
Fig. 21
...................'^F
zelfde plaats zijn, indien de bal en derand
van de tafel volkomen veêrkrachtig waren
en hij geen' tegenstand door de wrijving
ondervond. Stelt nu eens, dat ik den bal
van E naar B stoot met dezelfde snelheid
als vroeger, zoodat hij in denzelfden tijd
denzelfden weg EB = A B aflegt; zal hij
dan even ver, dat is op den afstand B
A, van den rand terug keeren? Laat
ons dit onderzoeken. Wij zullen de kracht,
waarmede de bal in B stoot, door
B F = B E uitdrukken. De rigting,
welke die kracht heeft, is natuurlijk het
verlengde van B E. Nu kan men S F in twee andere krachten B D en. B G
ontbinden. De kracht B G werkt slechts, om den bal tot iu IJ terug te doen
springen, terwijl B D hare vrije werking behoudt en volstrekt door den rand niet
verzwakt of verhinderd wordt. Nu kan men de rigting 5 G , daar zij door de te-
genstandbieding van den 'rand veranderd wordt, in de rigting B H overbren-
gen. Er werken dus na den stoot twee krachten op den bal, B D en B H\
bij gevolg zal hij zich in de hoekpuntshjn B I bewegen, die weder gelijk aan
B E zoude zijn, indien er volkomen veerkracht en geen tegenstand bestond.
De bal heeft dus een' geringeren afstand D I B II van den rand bereikt
dan de eerste maal. Het punt // hadden wij ook verkregen, door uit E een
lijn te trekken, evenwijdig aan B C oi loodregt op B IJ, doch de ware rigting,
die den bal na den stoot nemen zal, hadden wij niet gevonden. Het verdient
opmerking, cLitde lijnen BI en B E even ver van de loodlijn 5// afwijken,
met andere woorden, dat de hoek EB C gelijk de hoek I B D of hoek E B IJ
gelijk hoek I B JJ is; dit wordt uitgedrukt door te zeggen: de hoek van inval
is gelijk aan den hoek van terugkaatsing.
Dat ook het opwerpen van eenen bal op het dek van een zeilend vaar-
tuig, of op den rug van een snel dravend paard, hetgeen wij als bewij-
zen voor de traagheid der stof bijbragten, tot de zamengestelde beweging
moet gebragt worden, is duidelijk, dit zal daarom niet verder ontvouwd
worden. Zien wij thans wat de uitwerking ziju zal, indien de krachten
niet hoeksgewijze, maar op dezelfde lijn of evenwijdig aan elkander werken.
Oefenen eenige krachten in dezelfde rigting op hetzelfde punt van een ligchaam
of in dezelfde regte lijn hun vermogen uit, dan zal dit ligchaam met eene kracht
bewogen worden^ gelijk aan de som van al die afzonderlijke krachten. Trekken
bij voorbeeld, drie mannen aan eene lijn een schip voort, de eerste met eene
kracht van 30 pond, de tweede met eene van 5o en de derde met eene van
25 pond, dan zal ée'n man, die met eene kracht van 30 50 -f- 25 of 105
pond trekt, hetzelfde verrigten. — Trekken vervolgens op detzelfdeu oogen-