Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
Ö3
Fig. 20.
schip en den stand van het roer, zonder uitwerking, en gaat dus verloren; alleen
de kracht a b blijft als nuttige werking over. Plaatst men het paard aan eene
zeer lange hjn, zoodat a d eene aanmerkelijk schuinscher rigting ten opzigte
van den oever c d aanneemt, zoo zal men, met behoud van dezelfde lengte
a c/ of de kracht des paards, een veel langwerpiger parallelogram verkrijgen; de
hjn b c zal zeer in lengte toe- en a c afnemeu. Men ontvangt dus daardoor eene
meer voordeelige werking.
Hebben reeds verscheidene uwer kinderspelen eene beurt gehad, thans willen wij
eens zien, waarom de vlieger rijst en derhalve tegen de zwaartekracht inwerkt.
Neemt eens aan, dat J B de schuine stand van den vlieger zij (zie fig. 20),
cn dat het lijntje D C de rigting en kracht van den wind aangeve, dan kan
men D C in twee andere krachten, E C
en F C, die gelijk is aan D E, ontbinden,
waarvan er eene F C of D E loodregt op
den vlieger werkt. Wij kunnen ons der-
halve verbeelden, dat er twee winden
waaijen, een in de rigting E C, die langs
het vlak van den vlieger waait en er
langs wegglijdt, zonder iets uit te voe-
ren, en een in de rigting FC of i)
die zijne volle werking op den vlieger
uitoefent. Deze kracht D E kunnen wij
weder in twee andere ontbinden, name-
lijk g E en f E. De eerste staat loodregt
op de rigting, waarin de kracht des
winds werkt, drijft den vlieger dus regt
naar boven, en bewerkt zijne gestadige
klimming; de laatste ƒ £ duwt den vlieger achteruit, en veroorzaakt het trek-
ken aan het touw, dat men bij het oplaten van den vlieger ondervindt. Cij
ziet derhalve, dat slechts een klein getleelte g E van de kracht D C des winds
den vlieger naar boven voert. Zeker hebt gij opgemerkt, dat hier eeue dubbele
ontbinding der kracht is bewerkstelligd cn het spreekt vanzelf, dat wij even zoo
wel de kracht F C als de kracht D E ten tweedenmale hadden kunnen ontbinden.
Op dezelfde wijze verklaart men, waarom een schip met uitgespannen zeilen
zich voorwaarts kan bewegen, zelfs dan nog, wanneer de wind in eene rigting
waait, bijna tegenovergesteld aan die, volgens welke het schip vaart. Nog een
merkwaardig voorbeeld van de ontbinding en zamenstelling der krachten wil ik
hier bijvoegen.
Verbeeldt u, dat ik een' ivoren bal J (zie fig. 21) in de rigting B tegen
den rand C D eener biljarttafel stoot, met eene snelheid, die bemin de 1* seconde
den weg A B doet afieggen, dan zal hij in de tweede seconde bijna tot in A, de plaats
waar de beweging begon, tcrugkecren. Bijna, zeg ik, want het zou juist tot de