Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
823
Andere ontvlugten met overeind staande manen, snuiveml, en terwijl iiun doo-
delijke angst uit de oogen straalt, het verdoovende onweder. Maar de Indianen,
met lange hamhoesstokken gewapend, drijven hen weder in het midden des
waters terug.
Langzamerhand geven de woedende visschen den ongelijken strijd op. De
afgematte alen verstrooijen zich even als ontladene onweerswolken. Zij hehhen
eene lange rust eu eeue groote mate vau voedsel noodig, om weder te herstellen,
wat zij aan galvanische kracht verloren hehhen. De slagen worden van tijd tot
tijd zwakker en zwakker. Door het geruisch der steigerende paarden verschrikt,
naderen zij vreesachtig den oever, waar zij door harpoenen gekwetst, en met
dor, niet geleidend hout op de vlakte worden getrokken.
Alzoo is de wonderbare strijd tusschen de paarden en visschen. De kracht
die het levende, maar onzigthare wapen is dezer waterhewoners, die door de
aanraking van vochtige en ongelijksoortige stoffen wordt opgewekt, «lie in al
de werktuigen van diereu en planten rondloopt, die het ruime luchtgewelf
donderend ontvlamt, die ijzer aan ijzer doet hechten en den zachten, telkens
wederkeerenden gang der geleidende magneetnaald bestuurt, is bij al die ver-
schijnselen dezelfde; alles smelt zamen in eene eeuwige, alom verspreide
kracht " — Wij zouden achter deze verhevene schildering kunnen voegen :
!loe onnavolgbaar groot eu verheven is dus de wijsheid van den Schepper van
Fig. 523.
hemel en aarde. God is groot, maar wij
begrij[)en Hem niet.
Dat wij nu nog een denkbeeld trachten
te geven van het werktuig, waarmede de
zonderlinge visschen hunne electrische
schokken voortbrengen.
Het ligchaamsdetd, waarin zich de elec-
triciteit ontwikkelt, heeft bij de ver-
schillende electrische visschen dezelfde
zniiienstelling en hetzelfde uitwendige
aanzien, ofschoon de gestalte, grootte en
bestemming verschillend is. Dat werk-
tuig is bij den sidderrog het naanwkeurigst
onderzocht geworden.
Fig. 523 geeft eene afbeelding van het
laatstgenoemde dier van boven gezien,
zynde de helft van het opperdeel aan de
linkerzijde weggenomen, opdat men het
electrische werktuig zien zoude. Dit strekt
zich uit tot digt aan de voorzijde van den
kop; de bovenste vlakte er van slnit, door
middel eener draadvormige huid, aau dc