Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
62
Fig. 19.
doen afglijden. Deze radertjes
zijn bevestigd aan eene regtop-
staande plank XL; zij steken ver
genoeg vooruit, om de drie ge-
wigten P, Q en 7?, die aan de beide
einden en in het midden der koord
zijn vast gemaakt, vrij, zonder
de plank aan te raken, te laten
rijzen en dalen; terwijl aan
gezegde radertjes, door middel
vau schroeven, op de plank eene
hoogte naar welgevallen kan
gegeven worden. Stelt dat het
gewigt,' dat tusschen de rade-
ren is opgehangen, 5 pond zwaar is; en de gewigten P en R aan de
einden 4 en 3 pond. Alles is voorgesteld alsof er evenwigt bestond, en dit
kan niet plaats hebben of het vermogen van Q, om de gewigten P en R op
te trekken, moet gelijk zijn aan de zwaarte dier gewigten; anders gezegd, de
zwaartekracht, op Q werkende, moet die, welke op P en R werkt, vernietigen.
De zwaarte van P en R is namelijk door de rollen A en B van rigting ver-
anderd, en wel zoodanig, dat de lijn B C de rigting der kracht R en de lijn
A C die der kracht P is. En wat levert nu de ontbinding op? Mdii neme op
de rigtingslijn E C, waarin de kracht Q werkt, 5 strepen van C tot d, stel-
lende in dit geval elke streep een pond voor; verder trekke men door het
punt d de lijn d c evenwijdig aan B C, vervolgens de lijn d f evenwijdig aan
AC. Nu heeft men de kracht Q oi C d ontbonden in twee anderen C e en
Cf, en vindt, verrassend genoeg, dat in het parallelogram d/e ƒ C, de lijn rf e
= Cf = 3 strepen lang is, en dat de hjn d f e C = ^ strepen lengte
heeft, dat wil zeggen, de kracht P werkt met 4 pond in de rigting C A,
en de kracht R met 3 pond in de rigting C B; juist met zooveel ponden
dus als er gevorderd worden om het evenwigt tot stand te brengen. Welke
gewigten men nu ook in plaats van P, Q en R bange, in welke rigting men
deze ook door het verplaatsen der radertjes doe werken, dat is hoe groot de
hoek A C B ook moge zijn, altijd zal de ontbinding der kracht Q in twee
andere krachten P en R, op de gezegde wijze, zulk eene overtuigende uit-
komst geven. Ik wil op een paar verschijnselen de ontbinding der krachten
toepassen. Stelt eens dat a (zie fig. 13) een schip zij, dat door een paard, aan
eene lijn gespannen, wordt voortgetrokken. Laat verder de lijn a e/ de grootte
en rigting van de paardekracht aangeven. W^ij ontleden nu a d in de beide
krachten a b en a c. De eerste is de kracht, waarmede het vaartuig vooruit
wordt getrokken in de vereischte rigting, en a c is de kracht, waarmede het
naar den . oever wordt bewogen. Deze laatste blijft, door den vorm van het