Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
794
men inde schijf niet op, zij moeten echter, daar de mnltiplicator-draadontbreekt,
in de schijf zelve hunnen weg volbrengen. Zij zullen derhalve ongeveer loopen,
op eene wijze, die fig. 514 aangeeft. Passen wij zulks nu toe op het geval, dat
Fig 514 i'oven de roterende schijf eene magneetnaald zweeft, en
nemen wij aan, dat de stroomen, die den magneet vor-
y^t^^S^^L men, zulk eene rigting hebben, dat zij aan de onderzijde
/A^BI^Ha der naald, die dus naar de plaat is toegekeerd, van de
regter naar de linkerhand loopen, en dat de schijf ge-
draaid wordt in de rigting, welke de pijlen a en t in fig.
513 aanwijzen, zoo zal, ten gevolge van het hoven
beredeneerde, de pool n stroomen opwekken, welke van
het midden der schijf naar den rand gaan, de pool b
echter dezulken , die van den rand naar het midden
zich bewegen, en derhalve omtrent loopen zooals fig.
515 doet zien. De terugwerking dier stroomen op de
naald brengt hare rondwenteling voort.
Al de tot hiertoe ontvouwde beginselen betrekkelijk de eleclro-statica en elec-
iro-dynamica, of de electriciteit in rust en in beweging, heeft de hoogleeraar
Weber te Gottingen tot eene enkele algemeene wet gebragt, waaronder dus
ook de wet der inductie verschijnselen begrepen is. Zijne geheele theorie
strekt weder tot bevestiging van de wet van Ampère (zie bladz. 685 en 767), en
niet alleen heeft hij deze er door in zamenhang gebragt met al de overige
grondwetten der electriciteit; maar onlangs heeft onze hoogleeraar van Rees
bewezen (zie zijne verhandeling over de magnetische krachtlijnen van Faraday)
dat zij ook uitnemend geschikt is, om het aantal magnetische verschijnselen
te verklaren, die door Faraday zijn ontdekt, en die deze laatste getracht heeft,
langs eenen anderen, min duidclijken en min zekeren weg te bewijzen. Wij
kunnen dit onderwerp niet verder uiteenzetten, omdat deze uiteenzetting zon-
der eene vrij groote bedrevenheid in de wiskunde geen nut zoude aanbrengen.
Het is hier de meest geschikte plaats, om nog iets over de theorie van de
diamagnetische verschijnselen te zeggen; wij moeten daarover intusschen zeer
beknopt zijn. Faraday, Weber en anderen nemen aan, dat er in het diamag-
netische ligchaam, door nadering van eeu' magneet of electromagneet, stroo-
men ontstaan, en wel in tegenovergestelde rigting van de magnetische stroo-
men van Ampère. In dat gedeelte van het bismuth-staafje, (welke stof wij
als de meest diamagnetische (zie blz. 575) tot voorbeeld nemen), dat naar de
noordpool des electromagneets gerigt is, ontstaat alzoo een noordpool, cn
in het tegenover de zuidpool liggende deel een zuidpool; de afstooting, die dus
bij de opwekking van het magnetismus of het sluiten van den stroom volgt
(zie bladz. 572) is derhalve een gevolg van in tegenovergestelde rigting
bewegende, electrische stroomen. Een bismuth-staafje kan dus een gewone
magneet niet nabij worden gebragt, zonder dat er stroomen iu ontstaan, die