Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
793
moet zich juist ouder n bevinden. Wordt nu door middel van het rad B de as a,
en daardoor ook de metalen schijf, snel rondgevoerd, zoo ziet men ook spoedig
de naald die beweging \olgen. Dat dit niet door de luchtbeweging boven de
schijf plaats grijpt, hiervan worden wij door het tusschenliggen der glazen
schijf c overtuigd. Bovendien worden niet-magnetische naalden door de rote-
rende schijf niet in beweging gebragt, en verschillende metafen oefenen op den
magneet eene in kracht verschillende werking uit.
De verklaring, die men van het vermelde verschijnsel geeft, is deze : De mag-
neetnaald induceert in de nabijliggende metalen schijf electrische stroomen,
deze werken op de stroomen, die volgens Ampère in de magneetnaald bestaan,
terug, en wekken daardoor de verklaarde beweging in de magneetnaald op.
Dat werkelijk zulk eene inductie plaats grijpt, bewijst de volgende door Faraday
genomene proef. Plaatst men eene om eene horizontale as n 6 (zie fig. 512) be-
Fig. 512. weegbare koperen schijf r k zoodanig tusschen de polen
n z van een' hoefmagneet n, dat haar rand r in het vlak
der beide polen valt, of er ten minste zeer nabij ligt,
brengt meu verder met den goed geiimalgameerden rand
r der schijf een metalen collector van een'condensator
in verband, die met het eene draadeinde van een' gevoe-
ligen multiplicator is vereenigd, terwijl het tweede einde
van den multiplicator-draad met de metalen as a h in
geleidende aanraking is gebragt, en men doet vervolgens
de schijf r k snel roteren, zoo wordt men eene bestendige
afwijking gewaar van de naald des multiplicators, welke afwijkingsrigting
afhangt van de rigting der omwenttling van de schijf; zoodat bij om-
keering der rotatie-rigting de naald in tegengestelden zin afwijkt. Om nu van
de rigting des in de schijf geïnduceerden strooms en zijne terugwerking op de
naald eene meer juiste voorstelling te verkrijgen, zullen wij n en z (zie fig. 513)
de vlakten der polen van den hoefinagneet doen voor-
stellen, en de daarin geplaatste pijlen de rigting der
stroomen van Ampère doen aanwijzen, die derhalve,
zooals de digtst bij de pijl a 6 liggende kleine pijlen
aantoonen, aan de poolzijden, welke naar de roterende
schijf gekeenl zijn , dezelfde rigting hebben. Wentelt
nu de schijf zoodanig om, dat haar rand ook de rigting dier pijltjes verkrijgt
zooals ab aantoont, zoo toont de multiplicator een' stroom aan, die van het
midden der schijf naar haren rand gaat, en bij tegenovergestelde wenteling een'
stroom, welke van den rand naar het midden gaat. Dit stemt dus met de
vrtieger vermelde algemeene inductie-wet overeen. Werkt op de schijf, in plaats
van twee, slechts eene pool, zoo blijft de werking dezelfde, maar wordt slechts
zwakker. Indien nu de metalen as met den rand niet meer door den draad van
den multij)licator is verbonden, zoo houdt evenwel de opwekking van de stroo-