Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
lU
hatterij kan verbonden worden ; een andere koperen draad n, die aan de
tweede pool der batterij reikt, is bevestigd aan genoemden ring m van bet vat.
Zoodra de stroom gesloten is, begint de magneet om den vasten draad t rond
te draaijen. De verklaring hiervan kan na het voorafgaande niet moeijelijk
vallen. Tot de/.e proefis eene sterke batterij noodig.
Hoewel wij nog van andere rotatie-verschijnselen zouden melding kunnen
maken, achten wij de aangewezene voldoende, en zullen deze afdeeling met
eene korte opmerking aangaande het noorderlicht sluiten. Ook dit verschijnsel
meent men, dat zijn' oorsprong verschuldigd is aan de electrische aardstroomen,
want vele waarnemingen stellen het schier buiten twijfel, dat het met het
aardsche magnetismus zamenhangt. Humboldt zegt in zijnen Kosmos, dat het
noorderlicht wordt voortgebragt door eene storing van het evenwigt in de
verdeeling van het aardmagnetismus, blijkbaar uit de schommelingen der mag-
neetnaald , die het verschijnsel voorafgaan (zie bladz. 569). Wanneer, zoo
gaat die geleerde schrijver voort, deze storing een^ hoogen graad van sterkte
heeft bereikt, dan wordt het evenwigt der verdeeling door eene ontlading,
welke van lichtoutwikkeling vergezeld gaat, wederom hersteld. Het prachtige
verschijnsel van het gekleurde noorderlicht is de werking der ontlading, het
einde van een magnetisch onweder; gelijk in het electrisch onweder e\en7.eeT eene
ontwikkeling vau licht, de bliksem namelijk, de herstelling vau het gestoorde
evenwigt in de verdeeling der electriciteit te kennen geeft. Het electrische on-
weder is gewoonlijk tot eene kleine ruimte beperkt, en buiten die ruimte blijft
de toestand der lucht-electriciteit nagenoeg onveranderd. Het magnetisch
onweder daarentegen openbaart zijne werking op den gang der naald over een
grooter gedeelte van het vaste land; ja, zooals Arago het eerst ontdekt heeft,
zeer ver van de plaats, waar de lichtoutwikkeling zigtbaar wordt. Slechts
zooveel over het nog altijd raadselachtige noorderlicht,
VIJF EN TACHTIGSTE LES.
Geïnduceerde eiectricileit of electro- en masneto-eleclrlclleil.
In den jare 1838 nam Faraday waar, dat, wanneer men door eenen draad
b (zie fig. 4^6) een galvanischen stroom laat gaan, en er bevindt zich in zijne
Fig 496 nabijheid een tweede geleidende draad a.'h\
er ook m dezen laatsten, bij het beginnen
tvi eindigen van den stroom, een electrische
stroom wordt opgewekt.
Indien wij hier vau beginnen en eindigen
spreken, dan wordt <lit meer bepaald be-
doeld met betrekking tot den draad a" b',
die zich nabij den regtstreekschen stroom
ab bevindt, en het wil dus juist niet