Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
?71
4^0) beweegt, ena his om eene verticale as e draai-
baar, zoo zal de geleiderat werkelijk ome beginnen
te draaijen, en wel in de rigting der pijlen p en q,
indien men in hem een' stroom geleidt, die van e
naar de einden ab voortgaat Ten einde nu zulk
eene draaijende of roterende beweging voort te
brengen door den invloed van het aardmagnetis-
mus of de electrische aarclstroomen, kan men een
toestelletje gebruiken, dat in fig. 4^1 is afgebeeld.
a b verbeeldt daarin een cirkelvormig koperen
bakje, dat uit twee evenwijdige
koperen banden, die op eenen kope-
ren bodem bevestigd zijn, is zamen-
gesteld, en welk bakje met zuur
water is gevuld, c d is een horizon-
taal liggende koperen draad, die aan
de einden met twee kleine kogeltjes is bezwaard, en door middel van een
stalen puntje e op den met een stukje glas voorzienen bodem rust van het kwik-
bakje e. Aan dien draad c d zijn verder twee naar beneden hangende draden 1
en 2 gesoldeerd, welke met hunne einden in het zure water reiken. De genoemde
kogeltjes dienen hoofdiakelijk, om den draad in evenwigt te honden en het
gemeenschappelijk zwaartepunt beneden de punt e te doen Nallcn. Het kwikbakje
c rust op een' geleidenden draad e f. Deze moest in de teekening niet getitteld
zijn, maar ook onderaan doorgetrokken, daar hij midden op het ronde
houten bord is bevestigd. Verbindt men nu den geleider ef met den po-
sitieven pooldraad p der batterij, en den koperen bak abh\] q met het nega-
tieve einde n, zoo gaat de stroom van ƒ over e in tegenovergestelde rigtingen
naar c eu d, vervolgens in beiden de deelen 1 en 2 benedenwaarts, en dan door
het zure vocht, langs 9 terug naar de batterij. De beide benedenwaartsgaande
stroomdeelen 1 eu 2 trachten zich (zie bladz. 765) naar het oosten te rigten en
de ronddraaijing van c d moet derhalve intreden van het oosten naar het noorden.
Leidt men den stroom bij^ in, dat is, keert men hem om, dan geschiedt de beweging
in de tegenovergestelde rigting. Tot deze proefis een krachtige stroom noodig.
Wil men door den invloed van een' door de batterij voortgebragteu cirkel-
vormigen stroom eene roterende beweging op doen treden, dan moet men om
het bakje ab van fig. 4^1, den ring plaatsen (zie fig. 4^2). Deze bestaat uit
Fig. 492.
eenige met zijde omwoelde windingen van eene
strook koper, welks einden m cn n aan de polen
eener batterij verbonden zijn. Dat in zulk een
geval de stroom, door H gaande, over de electrische
aardstroomen de overhand heeft, wordt daardoor
bewezen, dat het roteeren in eene andere rigting