Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
r
i
769
wordeu. Laat fig. 488 een schroefdraad zijn, welke zich, van m afgerekend,
Fig. 488. gelijkelijk naar beide zijden uitstrekt, en die door
den stroom in de rigting der pijltjes doorloopen
wordt. Stelt u verder voor, dat de schroefdraad
bij m wordt doorgesneden en de helften van
elkander worden verwijderd, zoo volgt uit de
bepaling, welke wij vroeger gegeven hebben, dat
zich bij a een zuidpool, en bij 6 een noordpool
zal vormen; want keert men hetaangezigt naar
a, dan loopt de stroom er in rond in de rigting
des uurwijzers; hij stijgt dus aan de linkerhand;
keert men 6 naar zich toe, dan stijgt de stroom
aan de regtcrhand.
^^ ^ Dit is derhalve juist zooals bij de magneten,
indien men deze doorbreekt. (Zie blz. 567 fig.
318).
Verder moet daaruit blijken, dat de ongelijk-
nnmige polen b en « elkander zullen aantrekken,
want de stroomen loopen hier evenwijdig en in gelijke rigting, terwijl de pool
6, zoo men haar het tegenovergpstclde einde van a aanbiedt, dat zal afstoo-
ten, omdat de stroomen in tegenovergestelde rigting loopen.
Ten einde de aintrekking en afstooting der polen in verschillende standen,
met betrekking tot elkander, aanschouwelijk te maken, neemt men twee cilinders
van hout oï bordpapier, die 2 a 3 palm lang cn 3 tot 5 duim in diameter zijn;
deze cilinders laat men de magneten voorstellen; nu teekent men op den omtrek
van de cilinders eenige pijlen, in dier voege, als men dit in fig. 487 ziet; deze
pijlen zullen dan de rigting der stroomeu verbeelden; verder zet men aan de
einden dezer cilinders de teekens iV en Z, om de gelijknamige polen aan tc
duiden, en neme hierbij in acht, dat deletter die noordpool beteekent, zich
daar bevindt, alwaar het pijltje de tegenovergestelde rigting aanwijst van die,
waarin de uurwijzers zich bewegen. Met behulp van twee zulke modellen laat
het zich zeer gemakkelijk begrijpelijk maken, waarom gelijknamige polen elkan-
der afstooten en ongelijknamige elkander aantrekken, Want, indien men de
beide cilinders zoodanig bij elkander brengt, dat de einden, waarop dezeUde
letters staan, en dus de gelijknamige polen, naar elkander ziju toegekeerd, zal
men bemerken, dat ook de pijltjes of de circulerende stroomen, die zij voor-
stellen, eene tegenovergestelde rigting hebben; maar zoo men het einde, dat
met N is geteekend, plaatst bij dat, hetwelk Z heeft, zal men zien, dat ook de
pijltjes dezelfde rigting aanloonen.
Uit de verklaarde hypothese van Ampère volgt, dat het vermoeden moest
ontstaan van het aanwezen van electrische strooinen in de aardkorst. Hetgeen
vroeger aangaande de rigting is gezegd, die een vrij bewegende geleider onder