Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
57
wij de beweging van het vallend of naderend voorwerp in den beginne zien.
Waarom iemand, door een' geweerkogel getroffen wordende, somtijds eenige
oogenblikken onbewust blijft van zijn ongeluk.
Waarom men door eenen feilen slag eene bloem van den stengel kan afschei-
den, zonder dat de steel zich schier beweegt.
De hoeveelheid van beweging maakt duidelijk, waarom een mensch een ligt
vaar- of voertuig tamelijk snel kau voortduwen of trekken, terwijl hij deze,
zwaar geladen zijnde, slechts eene naauwelijks zigtbare beweging kan aan-
brengen. ^
Waarom een stukje klei, zoo groot als eene erwt, dat uit eenen hollen stok of
een lang riet geblazen wordt, genoegzame kracht bezit, om eene musch te dooden.
Waarom de kleine, ligte jagthagel het ligchaam der dieren doorboort.
Waarom een stuk liout, dat met eene zeer matige snelheid iemand treft, hem
naauwelijks bezeert; terwijl een geladen vaartuig, met dezelfde snelheid hem
treffende, sommige ligchaainsdeelen verbrijzelt.
Waarom ligte boombladeren, regendruppels, hagelkorrels, sneeuwvlokken,eiu.
pijn veroorzaken, indien zij door eenen hevigen wind ons tegen het aangezigt
gedreven worden.
ZESTIENDE LES.
De eenparige of gelijkvormige beweging der ligchamen.
Het evenwigt der ligchamen. Zamenstelling en ontbinding
der krachten.
Dat wij nog eens kortelijk zamen nemen, wat er aangaande beweging en kracht
is gezegd.
1. De beweging onderscheidt zich door de rigting, volgens welke zij geschiedt,
en door de snelheid;
2. de rigting kan regt- en kromlijnig zijn ;
3. de snelheid is eenparig of veranderlijk; men onderscheidt ten aanzien der
laatste bepaaldelijk gelijkmatig versnellende ex\ vertragende beweging;
4- de kracht, die alleen uit hare uitwerkselen kan gekend worden, wordt
bepaald naar de hoeveelheid van beweging, die zij voortbrengt; deze hangt af van
de massa en de snelheid;
5. de kracht kan plotseling en voortdurend werkend zijn; de laatste noemen wij
standvastige kracht;
6. eene plotseling werkende krachtj ook stoot of botsing genoemd, brengt altijd
eene regtlijnige beweging voort, die, uit hoofde van de traagheid der stof, niet kan
veranderd worden dan door eene nieuwe kracht; terwijl
7. eene standvastig werkende kracht het ligchaam eene gelijkmatig versnellende
oi verbagende beweging geeft.