Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
u
bepalen, dat van deze beweging afhangt. Men heeft de gezegde beweging toe-
gepast op het maken van zandloopers en wateruurwerken, en later op de za-
menstelling van raderuurwerken.
Dat eene beweging ook ongelijkmatig zijn kan, hiervan moet uw eigen tred
en de gang der dieren u overtuigd hebben. Immers men gaat niet altijd even
snel. De gang is in den beginne dikwijls veel rasscher dan aan het einde, en
omgekeerd. Is er eene kracht, die op de ligchamen werkt, ten einde hunne
snelheid te vermeerderen, dan hebben zij eene versnellende beweging. Werkt eene
kracht integendeel de beweging tegen, dan hebben de ligchamen eene vertra-
gende beweging.
^ene gelijkmatig versnellende oï vertragende beweging bezitten de ligchamen,
wanneer de snelheid van oogenblik tot oogenblik op dezelfde wijze, naar eenen
vasten regel aangroeit of afneemt. Wij zullen in het vervolg hiervan merk-
waardige voorbeelden aantreffen.
VIJFTIENDE LES.
Over den overgang van rnst tot bemging. Hoeveelheid
van beweging.
Stoot men met een Staate tegen een' bal, dan beweegt hij zich.
Maar hoe komt het toch, dat de geheele bal voortloopt, daar slechts een klein
deel er van door den stoot van het staaQe is bewogen? — Dit ontstaat daaruit,
dat de deeltjes, die door eene kracht, namelijk in de zoo even gedane proeve de
staaf, in beweging gebragt worden, deze aan de naastgelegene atomen mededee-
len, die weder aan de volgende, en zoo al verder, tot eindelijk de beweging
zich gelijkelijk onder de atomen heeft verspreid, en het ligchaam dien ten ge-
volge verplaatst wordt. Tot den genoemden overgang der beweging van het
eene deel op het andere is een zekere tijd noodig, even als er tijd noodig is
opdat het water, hetwelk men in een vat giet, zich in rust en overal op ge-
lijke hoogte stelle.
Niet een ligchaam beweegt zich onmiddellijk na het door eene kracht is aan-
gedaan geworden. Bij verschillende stoffen is de tijd, tot verdeeling der bewe-
ging benoodigd, ook verschillend. De mensch kan zich derhalve, zoo min
als het vlugste dier, voortspoeden of oprigten onmiddellijk na hij dit wil.
Een vogel, wordt door eenen pijl getroffen, hoewel hij hem zag aankomen;
— en waarom zich niet vroeger weggemaakt? omdat er tijd noodig was,
ten einde aan zijne ligchaamsdeelen de beweging der pooten en vleugels mede te
deelen.
Een overeind staand stuk papier of houten bord, of wel eene openstaande deur,;
voorwerpen dus, die men in zulk een' stand met den vinger zou kunnen bewe-
gen, blijven onbewegelijk staan, wanneer zij door een' kogel, die uit een goedj