Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
71S
palm lengte smelten. De hitte, die door Teylers merkwaardige batterij ontwik-
keld wordt, is zoo verbazend groot, dat, als men eiken pooldraad met een'
ijzeren bol van 2 duim middellijn in verbinding stelt, met de bollen de keten
sluit en ze vervolgens weder iets van elkander verwijdert, het ijzer als was
begint af te druipen, en de bollen binnen weinige seconden in druppels op den
voet van het werktuig gevonden worden, dat tot het doen van deze proefis bestemd.
Een zeer fraai gloeijingsverschijnsel verkrijgt men, volgens aanwijzing van den
heer Logeman, wanneer men een kettingje maakt met afwisselende schakels van
zilver- en platinadraad, van omtrent een streep dikte; de schakels moeten 2 duim
lang r-ijn en met oogjes in elkander grijpen. Leidt men nu den stroom daar door
heen, zoo zullen de schakels van platina gloeijen, die van zilver niet (zie bladz. 714).
Bevestigt men aan ieder einde der draden, die van de beide polen eener
galvanische keten uitgaan , twee stukjes kool, die in fijne punten uitloopen, en
vervaardigd zijn uit dezelfde stof als de koolcilinders van Buusen's batterij, of
ook wel van de coke, die zich aan de binnenzijde der cilinders vastzet, waarin
de steenkolen bij de gasfabrijken worden gegloeid, dan ontstaat er, ingeval de
beide fijne koolpunten met elkander in aanraking worden gebragt, daar tusschen
een zeer helder licht. Gebruikt men daartoe eene sterke batterij, bij voorbeeld 30
tot 50 paren van de batterij van Bunsen, zoo kan men de punten der stukken kool,
als eenmaal de galvanischestroom oxervloeit, op eenigen afstand van elkander ver-
wijderen, en op deze wijze verkrijgt men. door de gloeijende kooldeeltjes, die van de
eene pool naar de andere overgaan, het heerlijke verschijnsel van een' lichtboog.
F!g 442.
Fig. 442 is geschikt, om een denkbeeld van zulk een lichtver-
schijnsel te geven, a en 6 verbeelden de koolspitsen, c en d de
geleidende houders , waaraan de pooldraden zijn bevestigd. De
aanraking van de kool met de metalen bussen c en d, waarin zij
bevestigd zijn, moet zoo groot mogelijk wezen, dat is, het metaal
moet de kool op vele plaatsen goed aanraken.
Deze proef met de koolspitsen is inderdaad eene der merk-
waardigste lichtverschijnselen, welke de galvanische keten voort-
brengt.
Met de meergenoemde kleine grovesche batterij kan men twee
koolspitsen, gemiddeld van ongeveer 5 streep middellijn, buiten-
gewoon sterk gloeijen. Daartoe worden de koolspitsen in kope-
ren huisjes geplaatst, die van houten stelen zijn voorzien, en
vervolgens in die koperen busjes met een klemschroefje geleid-
draden bevestigd, die in de kwikbakjes, waarin de pooldraden
der batterij eindigen, worden gedompeld. Door nu de bussen bij
de houten stelen aan te vatten, kan men den afstand der koolspitsen naar ver-
kiezing regelen. Gemakkelijker geschiedt dit intusschen met een toestelletje,
dat fig. 443 voorstelt, want het is altijd hoogst moeijelijk, om met de handen
de koolspitsen gestadig regt tegenover elkander te houden. Zonder verdere