Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.707
te kunnen vermenigvuldigen. Fig. 4^4 geeft eene afbeelding van een' toestel,
diedaartoe vrij wel geschikt is. a b stelt voor een glas van 1,5 tot 2 palm
wijdte. In dit glas hangt een tweede naauwer glas c r/, dat geen bodem heeft,
maar van onderen met eene dierenblaas wordt toegebonden. Om dit naauwe
glas wordt een metalen draad vastgeklemd, voorzien van drie armen, welke op
den rand van het wijdere glas liggende, het glas erf dragen en tevens de
blaas 4 tot 5 duim van den bodem van het grootere glas verwijderd laten.
Het binnenste glas wordt met zeer verdund zwavelzuur gevuld, het buitenste
met eene oplossing van zwavelzuur koperoxyde (kopervitriool).
In het binnenste glas rust onder aan, op eeu houten kruisje, een blokje zink,
waaraan een koperdraad is gesoldeerd, dat over den rand der beide glazen zich
heenbuigt en in een kwikbakje g afdaalt. In dat kwikbakje reikt een tweede ko-
perdraad, die aan zijn ander einde den penning, of een' vorm er van
draagt, welke in de koperoplossing, tot onder de blaas van het naauwere
glas is gedompeld. Is het een vorm, gemaakt van eene niet geleideude stof,
als was, hout of iets dergelijks, dan moet deze met eene geleidende stof be-
dekt zijn, b. v. met potlood. '
De beschrevene inrigting laat echter veel te wenschen over ; zij is on-
gemakkelijk te behandelen en levert doorgaans gebrekkige uitkomsten. Beter
en gemakkelijker slaagt raen er op de volgende wyze in : men giet een zink-
cilindertje o (zie fig. 435) van omtrent 9 duim lengte en 2 duim middel-
Vig. 435.
Fig. 436.
lijn, vijlt dit vanboven glad af, en soldeert op deze gladde vlakte een reepje
koper b c, van 5 tot 6 streep breedte, en 11a 12 duim lengte. Het eene
einde c van dit reepje koper buigt men een weinig om. Dezen zinkcilinder
hangt men in een poreus potje tle (zie fig. 436), dat weder in een wijd glas/^
van 12 a 13 duim middellijn wordt geplaatst. In dit wijdere glas is bovenaan,
door middel van kleine houten wiggetjes, een plankje m n, dat van gaatjes is
voorzien, vastgeklemd, terwijl dit plankje nog eeue grootere opening bevat, om