Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
het hout slaan, tlan is er ruimte noodig, om het werktuig te bewegen, anders
is het tot niets nut.
Den tijd kennen wij slechts uit eene opvolging van zaken. Waren er geene
opvolgingen van natuurverschijnselen, wij zouden bezwaarlijk den tijd kunnen
afmeten. De lente volgt op den winter cn deze op den herfst; op den dag volgt
de nacht, en de vloed op de eb. Ziedaar eenige elkander opvolgende verande-
ringen, die tot maat van den tijd kunnen dienen. De tijd wordt verdeeld in
weken, dagen, uren, minuten en seconden, en de werktuigen, die tot het meten
van den tijd dienen, zijn onder den naam van uurwerken bekend. Ook de tijd
is een vereischte tot voortbrenging van beweging; want was er ruimte, om den
hamer, waarvan in het zoo even gegeven voorbeeld gesproken is, te bewegen,
maar geen tijd, men had aan de ruimte en het werktuig niets.
Men merkt bij de beweging twee hoofdzaken op, namelijk hare rigting en
snelheid. Indien het bewegende ligchaam eene regte liju doorloopt, bij voorbeeld
van a naar L (fig. 6.), dan iioemT men deze beweging regilijnig, en de regte lijn
a b is dan de rigting der beweging.
Naar welken kant de beweging ge-
schiedt, is door een pijltje aangewe-
zen. Ééne kracht kan aan eene be-
weging slechts ééne rigting geven,
die, zoo als bij de traagheid is ver-
klaard, niet door de bewegende stof
kan veranderd worden. Bewoog zich het ligchaam in b gekomen zijnde, van
b naar c, wij zijn verzekerd, dat er eene
nieuwe kracht geweest is, die het heeft
aangedaan. Ook deze laatste beweging was
regtlijnig. Verandert de rigting van een
bewegend ligchaam onophoudelijk, met an-
dere woorden, doorloopt dit eene kromme
ot gebogen lijn abc (fig. 7), zoo noemt
men de beweging kromlijnig.
Ik zeg: verandert eene beweging
onophoudelijk van rigting: be-
weegt zich een ligchaam van a.
naar b (fig. 8), maar in b ge-i
_ komen, van daar naar c, v
der tot daar genaderd zijnde,
van c naar d, vervolgens van d naar e van e naar ƒ, enz. dan heeft hec
eigentlijk den weg a b c d ej afgeloopen. Neemt men nu die punten a, b,
c, dy euz. zeer, ja onmeetbaar digt bij elkander, dan verkrijgt men van zelve
eene kromme lijn ace^iZn (fig. 10). Is toch eerst de rigtingslijn der be-
weging de lijn a 6, dan is deze een ondenkbaar klein tijddeeltje daarna.