Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.692
alleen, indien men het daartoe slechts de vereischte lengte geeft, dat is in het
gegevene voorbeeld opvolgend langer maakt, om zoodoende den tegenstand te
vergrooten; op deze wijze heeft men dan ook bevonden, dat de aangenomene
koperdraad van 5 el lengte, voor messing 3,95
» ijzer 7,02
en » nieuw zilver 15,47 maal langer moest zijn, om
de achter die stoffen staande afwijkingen der naald te verkrijgen. Deze laatste
getallen drukken dus, daar de geleidingstegenstanden hier tot elkander staan
als de lengte der draden, en die van het koper nu gelyk aan 1 is gesteld, den
soortelijken geleidingslegensiand uit van de tot voorbeeld genomen stoffen.
Pouillet gaf, als de uitslag van een naauwkeurig onderzoek, den specifieken
geleidingstegenstand van eenige stoffen op de volgende wijze aan :
Zilver 0,73 Platina 4,54
Goud 0,97 IJzer 5,88
Koper 1,00 Nieuw zilver 11,33
Zink 3,57 Kwikzilver 38,46.
Riess verkreeg met behulp van zijn electrischen luchtthermometer (zie blz.
638), door proefnemingen derhalve met de wrijvingselectriciteit, bijna dezelfde
uitkomsten. Uit bovenstaand tafeltje blijkt, dat zilver, goud en koper de beste
geleiders zijn, daarom gebruikt men altijd voor de geleiddraden zooveel moge-
lijk zuiver, rood koperrood. Hoe zuiverder het koper is, hoe beter de geleiding
plaats grijpt. Wanneer er eene geringe hoeveelheid ijzer, bijvoorbeeld ^^^
deel, in het koperdraad vermengd is, wordt de tegenstand reeds 25 percent
grooter.
Als eenheid van den geleidingstegenstand kan men, volgens den voorslag van
Jacobi, dien tegenstand aannemen, welken een uitgegloeide draad van 1 el
lengte en 1 streep dikte en van zuiver koper gemaakt, aan den stroom biedt.
Dat wij nu eens door een voorbeeld ophelderen, hoedanig men van de uiteen-
gezette waarheden voordeel trekken kan bij het onderzoek van den geleidings-
tegenstand van sommige stoffen.
Stel, wij wenschen te weten, welken tegenstand een ijzerdraad van 12 el lengte
en 0,5 streep dikte aau den stroom biedt, nemende altijd den bovengenoemden
tegenstand als eenheid aan.
Wij weten uit het voorgaande tafeltje, dat, wanneer het ijzer slechts 1 el lang
ware, de tegenstand 5,88 zoude zijn in vergelijking van dien van koper; dat is
voor 12 el reeds 12 X 5,88 maal meer tegenstand; maar uit de wet van Ohm
volgt, dat men dezen tegenstand door het vierkant van de middellijn des draads
moet deelen, en wij hebben dus, den gevraagden tegenstand B noemende, R
W^illen wij den geleidiugstegenstand van een eind draad eener zekere naar ver-
kiezing genomene metaalsoort bepalen, wij gaan dan op de volgende wijze te werk.