Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.690
tiug zoodanig, dat men den ring vwxt eerst in den magnetischen meridiaan
brengt, er vervolgens den stroom door doel loopen, en daarna den ring zoover
omdraait, tot de afgewekene naald met dien ring weder in hetzelfde vlak ligt,
zoo staau de sterkte van de stroomen tot elkander als de lengte der loodlijnen,
die uit de punten h en h' op de beenen nt der omdraaijingshoeken getrokken
worden. Die loodlijnen noemt men de sinussen van de hoeken en het werktuig
daarom sinus-boussole.
Na de beschrijving der voornaamste werktuigen, die tot het meten der stroom-
sterkte dienen, willen wij enkele waarheden leeren kennen, tot welker ontdek-
king deze toestellen geleid hebben.
Wij hebben bij de vermelding der wet van Ohm en vervolgens reeds te ken-
nen gegeven, dat de tegenstand, dien de sluitdraad aan den stroom biedt, afhan-
kelijk is van de lengte, dikte en het geleidingsvermogen van den sluitdraad. Ohm
heeft bevonden, dat de tegenstand in die verhouding toeneemt, waarin de lengte des
sluitdraads vermeerdert, en afneemt in verhouding van zijne dikte of doorsnede en
van zijn geleidingsvermogen. Anders gezegd: de sterkte van den stroom is omge-
keerd evenredig aan de lengte des sluitdraads, en regtstreeks evenredig aan de grootte
der doorsneden en de geleidbaarheid des draads. Nemen wij, om deze wet te onder-
zoeken, tot voorbeeld een Becquerels element van zink en koper, hoewel eeu an-
der constant element ook dienen kan. Men laat nu eerst den stroom onmiddel-
lyk door de tangenten-boussole gaan, en vervolgens schuift men geleiddraden
tusschen de batterij en het genoemde werktuig in, die wel gelijke dikte, maar
ongelijke lengte, h. v. van 5, 10, 40, 70 en 100 meters hebben. Deze draden
zijn met zijde omsponnen, ten einde ze te kunnen opwinden, en zoodoende niet
te veel plaats te doen beslaan.
Zie hier welken uitslag men met deze proefnemingen verkreeg :
LENGTE VAN DEN INGE- SCHOVEN DRAAD. GROOTTE VAN DEN AFWIJ- KINGSHOEK DER MAG- NEETNAALD. LENGTE DER TANGENS VAN DEN AFWIJKINGS- HOEK.
0 meter. 62" 00' 1,880
5 » 40- 20' 0,849
10 » 28' 30' 0,543
40 » 9' 45' 0,172
70 H 6' 00' 0,105
100 (( 4' 15' 0,074
Men ziet hier volstrekt geene de minste regelmatigheid in de afneming der
sterkte van den stroom. De tangenten hebben hoegenaamd geene gelijke ver-
houding tot elkander. Dit ontstaat daaruit, dat in de batterij zelve, zoo wel als
in de verschillende deelen der boussole, waardoor de stroom gaat, een zekere
geleidingstegenstand moet overwonnen worden, welken tegenstand men na
tuurlijk gelijk kanstellen aan den tegenstand, dien een draad biedt, van gelijke
dikte als de tusschengeschovene, maar vau eene onbekende lengte, die wij xzul-