Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
687
teren, onder dat vlak doen afwijken. Het onderste deel van den draad 7 r on-
dersteunt dus de werking van liet bovenste n"o, en zoo ook de deelen or en nr/
de werking der beide eerste. De beschrevene inrigting is nu juist die van den be-
doelden multiplicator of galvanometer; doch meu vergenoegt zich hierbij niet
met slechts een' enkelen draad boven en beneden de naald om te leiden, men
legt er zoo 50 tot 100 omheen, als de draad 1 streep dik is; maar van een dun-
nen draad soms 3000 tot 25000, die ieder voor zich zeiven dezelfde werking
van den eersten verrigten, en alzoo het vermogen van den eenen draad 100 of
duizende malen versterken.
Om dit tot stand te brengen, neemt men een eind koperdraad van eenige
meters lengte, dat geheel met zijde is omsponnen, en windt het op een regthoe-
kig, langwerpig raampje van hout. De beide einden blijven vrij, omdczeaande
polen van eene galvanische keten te kunnen verbinden De omwindingen liggen
im wel tegen elkander, njaar de stroom is genoodzaakt den ganschen draad te
doorloopen; want door de omsponnen zijden draad is het metaal geïsoleerd, en
wordt de stroom belet, van de eene omwinding op de andere, die er tegen aan
ligt, over te gaan. De magneetnaald wordt nu vervolgens aan een enkelvou-
dig draadje spinsel van den zijdeworm, tusschen de draadlagen in, opgehangen,
waartoe, zoo als ligt te begrijpen is, eene sleuf of langwerpige opening tusschen
de draadwindingen is overgelaten; het geheel wordt alsdan met eene glazen stolp
overdekt, om den togt af te weren. Het raampje, waarop de draad is gewonden,
wordt zoodanig gesteld, dat de omwindingen in het vlak van den magnetischen
meridiaan vallen, waardoor derhalve ook de naald zich in dat vlak bevindt,
zoo lang namelijk de stroom niet door de omwindingen gaat; want is dit het
geval, zoo wijkt de naald des te sterker af, naar mate de stroom krachtiger is.
Teu einde den multiplicator veel gevoeliger te maken, heeft Nobili een stel-
sel van twee naalden aangewend, wier polen zich in tegenoverges telden stand
bevinden, zooals dit fig. 42I en 422 duidelijk uitmaakt. Een stelsel van zulk
een paar naalden is ons reeds (zie bladz. 570) onder den naam van astottsc/jt?
naald bekend. Uit fig 421 bUjkt tevens, dat de eene der naalden a b' boven, de
andere ab binnen de omwin-
Fig. 422.
dingen hangt, zoodat beide
naar dezelfde zijde door den
stroom worden bewogen. Bij
zulk eene inrigting is de wer-
king van het aardmagnetis-
mus zeer onbeduidend, want
zij is slechts het verschil der
krachten, met welke het aardmagnetismus iedere naald tracht te rigten. Ware
het mogelijk, om de beide naalden juist even gehjk te maken en ze even sterk te
magnetiseren, dan zou de aarde volstrekt geene rigtendekrachtopde naalden uit-
oefenen, doch dan zou het werktuig minder doelmatig zijn.
Fig. 421.