Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
49
Wat onlhinden en vei-binden legt, de hoofdverrlgtingen van den schei-
kundigen, hebt gij genoegzaam uit het tot hiertoe medegedeelde kun-
nen verstaan. Dat de ontbinding der stoffen en dus ook de verbinding met
andere, welke toch eerst na de ontbinding kan volgen, door de kracht van
zamenhang der atomen in hetzelfde ligchaam zeer wordt bemoéijelijkt, zult
gij ook reeds begrepen hebben. Hoe sterker toch de deelen aaneen kleven, des
te moeijelijker wordt de stof ontleed. Die zamenhang moet, alvorens de schei-
kundige kracht kan werken, verzwakt worden. Dit geschiedt hoofdzakelijk door
de warmte, daar deze, zoo als u bekend is, de deelen van een stoot. Zoo ont-
bindt men de metaaloxydeii meestal door gloeijen met kool: de zuurstof wordt
daardoor vrijgemaakt, vervliegt als gas, en het metaal blijft onverbonden achter.
Ziedaar weder een nieuw werk van den scheikundige.
Doet men eene stof door verhitting den dainpvormigen toestand aannemen,
dan zegt men, dat die stof vervhigtigt oï verdampt; wordt die damp door verkoe-
ling in druppels opgevangen, dan heet men dit ouer/m^en (destilleren); gaat die
damp in eenen vasten toestand over, dan noemt men het opheffen (sublimeren).
Zoo vervlugtigen of verdampen voor een gedeelte de steenkolen, welke men in
ijzeren cilinders, die geene gemeenschap hebben met de buitenlucht, zeer sterk
verhit. Bij die verhitting vervlieg} er eene gassoort, welke het bekende gaslicht,
in velesteden in gebruik, daarstelt, en waarvan ik u later meer zal zeggen.
Een ander gedeelte der kolen, dat het gas met zich medevoert, wordt verdikt, en
dus als teer en water overgehaald. Op dergelijke wijze wordt eiken-, berken-,
beukenhout, enz. inbeslotene cilinders verhit; een gedeelte vervlugtigt, een an-
der gedeelte wordt afgekoeld en dit afgekoelde of overgehaalde levert, na nog
eenige andere bewerkingen, den bekenden sterken houtazijnop
De ruwe zwavel wordt
Fig. 5.
in eenen ketel verhit, de
zwavel daardoor opgehe-
ven, en deze zet zich als
zwavolbloemen tegen de
wanden eener ruimte,
welke met den ketel ge-
meenschap heeft. — Ver-
krijgt deze ruimte eene
genoegzame warmte, zoo
wordt de opgehevene zwa-
vel weder vloeibaar,druipt
langs de wanden, wordt
in dien staat gezuiverd op-
gevangen, in vormen ge-
goten, en alzoo als pijp-
zwavel en ook wel als zwavelbloem inden handel gebragt.
3