Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
66o
neemt. De beide metalen zijn koper en zink, die in de vermelde reeks ver van elk-
ander liggen. Het zink noemt men het positieve en het koper het negatieve
element. Het derde ligchaam is een vochtig schijQe bordpapier of wollen lapje,
hetwelk met een zeer verdund zuur of met pekel (water, waarin zout is opge-
lost) goed doortrokken is.
Dat wij nu deze ligchamen eens op elkander stapelen, en onderzoekeu, hoe het
met de mate van electriciteit, die zij opwekken, gesteld is.
Wij leggen een schijQe zink op de hand, en daarop een schijfje koper van de-
zelfde grootte, vervolgens houden wij het koper tegen de onderste plaat van den
condensator, die op deu goudblad-electrometer is geschroefd, en na de bovenste
plaat te hebben aangeraakt en weggenomen, zien wij de goudblaadjes van elkan-
der wijken. Dit verschijnsel was ons reeds uit vorige proefnemingen bekend. La-
ten wij nu de digtheid of spanning der E, die tusschen het zink en koper bestaat,
en die uit de afstooting der goudblaadjes blijkbaar wordt, met het getal 1 aan-
wijzen. Thans leggen wij op het bovenste der beide schijfjes, namelijk op he»
koper, een vochtig schijQe bordpapier of vochtig wollen lapje, daarop wedei
een schijQe van zink, en op dit laatste ook weder een van koper; dan zal d(
digtheid van de —Eop dit bovenste schijfje koper 2 zijn geworden; wantdt
electrometer wijst, na behoorlijke aanraking van den condensator door het bo-
venste schijfje koper, aan, dat hij meer dan dubbeld zoo sterk is geladen. Neemt
men weder een paar zink- en koperplaatjes, en legt die nu, na alvorens op nieuw
een vochtig lapje op het bovenste plaatje koper gelegd te hebben, op de voor-
gaande, zoo zal de electrometer driemaal sterker geladen worden dan de eerste
maal, en zelfs weder meer dan driemaal, omdat het vochtige schijfje, zoowel als
de metalen, aan de opwekking van electriciteit medewerkt. Gaat men nu in
diezelfde orde voort, dat is, laat men de stoffen voortdurend aldus volgen: zink,
koper, vochtig lapje, zink, koper, lapje, enz. zoo wordt bij het 4®» ......
100't® schijQe koper de digtheid der vrije E ook 4> 5..... lOOmaal zoo groot
als die tusschen een enkel paar.
Behalve dat de proefneming met den condensator en het behandelde aan het
slot der voorgaande les ons van de waarheid dezer stelling heeft overtuigd, zoo
willen wij de zaak uog eenmaal op eene eenigzins andere wijze herhalen.
Stelt dat de koperplaat, en alzoo het negatieve element, met den grond in
verbinding staat door den draad ƒ (zie fig. 402, waarin de ligte schijf het koper,
de donkere het zink en de daarop volgende de
vochtige stof verbeeldt) even als daar aanstonds
het zink of het positieve element door tusschen-
komst van ons ligchaam met den grond in aan»
raking was; en laat op deze koperen plaat eene
even groote zinkplaat liggen, Het zink wordt nu
positief-, het koper negatief-electrisch; de vrije
— E van de koperen plaat stroomt in den grond
20"
Fig, 402.