Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.662
beeld zink, koper en platina, de beide uiterste met elkander in aanraking brengt,
den stand waarneemt, die de electriciteit, welke door de aanraking wordt opge-
wekt, op de goudblaadjes van den electrometer te weeg brengt, en men brengt
vervolgens zink en koper, en daarna koper en platina met elkander in aanra-
king, en men neemt waar, welk eene uitwijking der goudblaadjes deze beide
laatstgenoemde paren, ieder afzonderlijk, op den electrometer uitoefenen, zoo
zal men bevinden, dat de som der werkingen van de beide laatste paren gelyk
is aan de werking van het eerstgenoemde paar.
Dit is zoo met alle andere metalen gesteld. Indien men bij voorbeeld, drie of
meer metalen op elkander legt, zoo is de digtheid of spanning der electriciteit
bij de buitenste platen juist zoo groot, alsof zij onmiddellijk op elkander ge-
legd waren. Men kan dit aldus uitdrukken: wanneer men drie metalen platen op
elkander legt, is de digdieid of spanning der electriciteit tusschen de beide buitenste
platen dezelfde, alsof zij onmiddellijk elkander aanraakten en derhalve de tusschen-
liggende ontbrak. Beter gezegd: de electromotrische kracht der beide uitersie is gelijk
aan de som der krachten tusschen de eerste en tweede, en tusschen de tweede en derde.
Deze waarheid geldt niet alleen met betrekking tot de metalen, maar kan
ook op andere stoffen worden overgedragen, wij willen haar nog door een paar
voorbeelden ophelderen.
Indien men een metaal, behoudens de weinige uitzonderingen, die er op zijn,
in een vocht plaatst, bijv.b. zink in water of verdund zuur, dau wordt het
boven het vocht reikende deel van het zink negatief electrisch, het water po-
sitief; intusschen is het verschil iu electrischen toestand veel geringer dan bij
onmiddelijke aanraking van zink en koper; ook ijzer en koper verkrijgen, in
water gezet zijnde, —E, maar ijzer in eeue zwakkere en koper in nog mindere
mate dan zink. Hieruit is reeds af te leiden (dit merken wij ter loops hier
aan), dat men water niet in de bovenstaande spanningsreeks kan voegen; want
stond het boven zink, dan zou ijzer en koper ook ten opzigte van water bo-
ven zink behooren te staan, hetgeen met betrekking tot zink, koper en ijzer we-
der niet naar eisch zou zijn. — Dit geldt ook teu opzigte van een verdund zuur.
Stelt nu eens, dat de electrische spanning van zink, wanneer het alleen in
een zuur vocht staat, —100 is; eveneens die van ijzer alleen —en van ko-
per —10. Zet men nu zink in zuur vocht, dan is de E vau het vocht positief, en
dus volgens het voorgaande -f- 100, — het boven het vocht reikende zink — 100.
IJzer in zuur geeft voor het zuur -f- 4^ voor het ijzer — Staat nu ijzer en
zink tegenover elkander in zuur water, zoo neemt het ijzer bij zijne — 40 nog
-f- 100 van het water op, die dit door het zink verkreeg; het ijzer heeft dus
-H 60 electriciteit. Het zink neemt van het water by zijn — 100 nog40»
die dit laatste van het ijzer ontving; de E van het zink is dus — 60. Zink en
ijzer staan derhalve iu het zure water tegenover elkander met -f- 60 eu — 60.
Voor ijzer en koper zouden wij op dergelijke wijze — 30 en -f- 30, en voor
zink en koper — 90 en -f- 90 verkregen hebben.