Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.034
ding der natuur. Of is het niet bekend, dat na een zomeronweder zich mensch en
dier verkwikt gevoelen, de planten frisscher overeind staan, met levendiger kleu-
ren schitteren, en dat het schijnt of alles eene nieuwe groeikracht is bijgezet ?
ïn de heete luchtstreek komen de onweders het menigvuldigst voor, en zijn
doorgaans veel heviger dan bij ons; hun getal neemt af naarmate men de polen
meer nadert. In Leiden en Utrecht worden door elkander jaarlijks 13 a 14
onweders waargenomen, in Duitschland ongeveer 20, in Petersburg 17, in Stok-
holm 9, in Bergen 6. In den winter vallen er zelden onweders voor.
Het onweder heeft, gehjk de ondervinding leert, een' merkbaren invloed op
het ontstaan van regen, sneeuw, hagel, waterhozen, enz. Wij kunnen aangaande
<le onderstellingen in deze niet in bijzonderheden treden, en willen alleen ten
aanzien van het ontstaan des hagels een enkel gevoelen uiten.
De hagel is een natuurverschijnsel, dat door den landman het sterkst gevreesd,
en door den natuurkundige zeer moeijelijk kan verklaard worden. Zeker speelt
bij het ontstaan van den hagel de electriciteit eene voorname rol. Immers hij gaat
het onweder gewoonlijk vooraf of vergezelt het. De hagel valt meestal bij dag,
zelden in den nacht. De hagelwolken schijnen eene aanzienlijke uitgestrekt-
heid en diepte te bezitten, daar zij doorgaans eene groote duisterheid te weeg
brengen. Zij zijn te onderkennen aan hare graauwe, roodachtige kleur.
Volta meent, en vindt hierin in Brandes eenen voorstander, dat de koude, die
het water iu de wolk bevriezen doet, ontstaat, doordien de zonnestralen aan het
bovenste gedeelte der zware, digte wolk eene spoedige verdamping, en daardoor
ook eene plotselinge koude, in het binnenste der wolk, waartoe de stralen niet
kunnen doordringen, te weeg brengen. Om nu de vraag op te lossen, waardoor
zulke zware ligchamen, als de hagelsteenen, zoo lang in den dampkring kunnen
opgehouden wordeu, neemt Volta aan, dat er twee groote, met tegenovergestelde
electriciteiten voorziene wolken boven elkander zweven. Indien nu de nog kleine
ijsdeelen op de onderste wolk vallen, zoo zullen zij daarin tot op zekere diepte
dringen, eene nieuwe ijskorst om zich nemen, zich laden met de electriciteit der
genoemde wolk, en van deze derhalve worden afgestooten en door de bovenste
aangetrokken. Dit heen en weder werpen der hagelkorrels, zegt Volta, veroor-
zaakt dan het eigenaardige gedruisch, dat eene hagelbui gewoonlijk voorafgaat;
de korrels ontvangen hunne soms buitengewone grootte, doordien zij inde wol-
ken al meer en meer dampen om zich vast leggen, en de aantrekking en afstooting
verklaart dan tevens, waardoor deze zware ligchamen in de lucht zwevende
kunnen blijven.
Wij willeu de verschillende bezwaren, die tegen deze stelling worden geop-
perd, niet opsommen; de verklaring van Volta heeft intusschen eene groote ver-
maardheid, dat is, vele aanhangers gekregen. De pogingen, die meu in sommige
streken van Duitschland en elders heeft aangewend, om den hagel, dien geessel
der landbonwers en wijngaardeniers, te keeren, en die bestaan in het oprigten
van hooge stangen op hunne akkers, schijnen nog geen doel te hebben getroffen.