Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.632
De vereischten van een goeden bliksemafleider zijn de volgende :
r. De stang, welke boven de hoogste deelen van het gebouw zich behoort
te verheffen, moet in eene zeer fijne punt eindigen, en moet, zoowel als de aan
haar verbondene stangen, niet minder dan 2 duim dikte hebben; de punt wordt,
om haar tegen loesten te beveiligen, sterk verguld, of wel men maakt de stang
van geel koper en geeft haar eene korte platina-naald tot spits.
2'. De geleider moet van de spits af tot in den grond onafgebroken doorloo-
pen en uit zeer goed geleidende stoffen zijn zamengesteld; aan elkander gesol-
deerde metalen stangen voldoen dus beter dan een ketting.
3', De geleidstang, die over het dak heen langs het gebouw naar den grond
wordt gevoerd, moet, zoo hiertoe gelegenheid is, in eenen vochtigen grond of
in eenen waterput eindigen. Zoo er geen vocht in de nabijheid is, moet meu de
stang door eene lange groeve, met houtskool gevuld, naar eene vochtige plaats
leiden en daar in verscheidene armen, even als de vingers eener hand, doen nit-
loopen. Dit heeft het voordeel, dat het ijzer beter voor roesten is beveiligd en
daarenboven met een' goeden geleider, houtskool, in aanraking is.
Indien nu eene onweerswolk over den alzoo ingerigten bliksemafleider zweeft
zoo worden, vooronderstelt men, de verbondene electrische vloeistoffen der ge-
heele stang gescheiden; die, welke met de wolk gelijknamig is, wordt afgestoo-
ten en kan zich vrijelijk in den grond verspreiden, terwijl de tegenovergestelde
electriciteit naar de spits wordt heengetrokken; daar kan zij in ruime mate uit-
stroomen, zich naar de wolk begeven, en een deel van de oorspronkelijke elec-
triciteit der wolk werkeloos maken. Het is dus door deze wijze van zamenstellen,
gelijk men meent, niet mogelijk, dat de bliksem op den afleider overslaat; want,
hoe nader de onweerswolk komt, hoe meer verdeelend zij op de stang werkt, en
hoe meer hare electrische kracht, door het toestroomen der tegenovergestelde
electriciteit uit de punt van den afleider, verzwakt wordt.
Maar is de geleider ergens afgebroken, loopt die niet onafgebroken tot in den
grond voort, dau moet er noodzakelijk ergens ophooping van electriciteit ont-
staan; de afleider is dan gelyk aan een' geladenen conductor, eu er kan eene vonk
zijwaarts uit de stangen overslaan op voorwerpen, die daardoor verbrijzeld of in
brand gestoken worden.
Is de spits van den afleider te stomp, dan kan er een overslaan van den blik-
sem op den geleider plaats hebben, maar in dat geval gaat de straal langs dezen,
zonder het gebouw te beschadigen, in den grond.
Er is nog iets bij het plaatsen van bliksemafleiders op te merken. Wanneer er
groote uitgebreidheden metaal b. v. lood- of koperbekleedsels van het dak, in de
nabijheid van den afleider zich bevinden, moeten eerstgenoemde met den laatste
zorgvuldig in verbinding worden gebragt, opdat de electriciteit vrijelijk kunne
afvloeijen.
De ondervinding heeft geleerd, dat eeu goed ingerigte afleider het gebouw,
waarop hij geplaatst is, tot op 10 el afstand in de rondte beschermt.