Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.649
namen, spreken van stralen, die ten minste eene mijl lang zijn. Van waar toch
die buitengewone lengte ? — Ziehier het antwoord.
Wanneer men vonken uit den conductor eener krachtige electriseer-ma-
chine trekt, zoo kan men ze aanmerkelijk verlengen, door ze over wollen of zij-
den stoffen, die met een weinig stof bestrooid zijn, en dus over slechte gelei-
ders te doen slaan. Nu zijn de damphlaasjes, waaruit de wolken bestaan, op
verre na zulke volkomene geleiders niet als de metalen, en er moeten dus door
den nevel heen langere vonken ontstaan; maar de nevel vermindert door haar
geleidend vermogen toch altijd de spanning der electrische vloeistof, en deze
mindere spanning zoude dus ook de lengte der vonk moeten doen afnemen.
Meu moet derhalve om de lengte vau de bliksemstralen te kunnen verklaren,
nog aannemen, dat de dampdeeltjes, op den weg, welken de bliksem volgt,
reeds vóór zijne aankomst door verdeeling electrisch zijn geworden, en het even-
wigt daardoor is verbroken; en dat eindelyk, wanneer de straal verschijnt,
het verbrokene evenwigt zich van laag tot laag weder herstelt. Hieruit zou
derhalve voortvloeijen, dat er eigentlijk van deeltje tot deeltje slechts vonken
overspringen, en dat dus de electrische vloeistof niet den geheelen afstand af-
legt, die twee wolken van elkander scheidt.
De zigzagvormige baan, die de bliksem doorloopt, en welke hij met de elec-
trische vonken gemeen heeft, zal wel haren oorsprong vinden in de geweldige za-
mendrukking der lucht, welke de straal voor zich uitdrijft, en die dezen nood-
zaakt, herhaalde malen van zijnen weg af te springen.
Uit de niet volkomene geleiding der damphlaasjes, waaruit de wolken be-
staan, is het voldoende te verklaren dat eene wolk niet teu gevolge van slechts
ééne vonk in den natuurlijken toestand kan terugkeeren, zich niet geheel op
eenmaal ontladen kan; daardoor wordt het dan ook duidelijk, dat er uit eene
wolk verscheidene bliksemstralen kunnen schieten.
De donder, waardoor de bliksem gewoonhjk vergezeld wordt, ontstaat waar-
schijnlijk, even als het knappen eener electrische vonk, uit het plotsehjk uit-
zetten en weder zamenvallen der lucht. Het lang aanhouden of rollen van den
donder verklaart men op de volgende wijze. Op den geheelen weg, dien de
bliksem aflegt, ziet men door de onberekenbare snelheid als het ware gelijktij-
dig het licht, eu met dit laatste ontstaat ook op den geheelen weg gelijktij-
dig de knal. Maar daar het licht zich sneller dan het geluid voortplant, zoo
verneemt men eerst den donder, nadat men den straal heeft ontdekt. Bevindt
zich nu de waarnemer digter aau het einde van de baan des bliksems dan aan
het begin, dan zal hij den knal, die bij het begin van den weg, welken de
vonk heeft doorloopen, is ontstaan, later hooren dan dien, welke aan het einde
der baan ontstaan is. Vooronderstelt eens bijvoorbeeld, dat de bliksemstraal
eene lengte hebbe van 3400 [meters, en dat de waarnemer staat in de verlen-
ging van den weg, dieii de straal heeft afgelegd, dan zal de knal van het
verst verwijderde einde des straals J O seconden later aankomen dan die vau