Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
Waarom blijven bij regen of dauwde druppels aan de boomtakken hangen?
Waarom is het vaatwerk, waaruit vochten moeten gesclionken worden,
doorgaans van vooruitstekende lippen of tuiten voorzien ?
Waarom zouden vooral baksteenen, houtskool en turf zooveel vocht tot
zich nemen.
Waarom zou fijn poeder, vooral platina-poeder, zooveel lucht opslor^jen?
Waarom voert de pit eener lamp de olie naar boven?
Waarom trekt spons, broodsuiker, zont, enz., de vochtdeelen tot zich?
Wat kan de reden zijn, dat, indien men eenige, in elkander gedraaide dra-
den katoen met het eene einde in een glas met water en met het andere in
een ledig glas hangt, men na eenigen tijd beide glazen gelijkelijk gevuld vindt ?
Waarom zou wel het haar (dat door vochtigheid langer wordt en door droogte
inkrimpt) zeer geschikt zijn, om den graad van vochtigheid der lucht te bepalen?
Waarom staat het vocht, dat zich in een glas bevindt, altijd aan de wanden
van het glas iets hooger dan in het midden?
W^aarom klimt de inkt in eene gewone schrijfpen hooger op dan de plaats,
tot waar men haar in de vloeistof heeft gedoopt?
Waarom vloeit de inkt niet tusschen de bladen eener trekpen uit'
Waarom is het moeijehjk, met een stuk gewoon schrijfpapiereenen druppel
water van de tafel te wisschen?
Waarop berust het gebruik van vloeipapier tusschcn de bladen der schrijf-
boeken'?
^Vaarom trekt zich een kwikdruppel op een glasplaatje zoo zamen tot een
lx>lletje, terwijl hij opeen zilveren of gouden plaatje uiteen vloeit?
Waarom rollen druppelen water over een' met stof bedekten vloer hier en
daar als kogeltjes rond, terwijl zij op eenen reinen grond uiteen vloeijen.^
DERTIENDE LES.
De sclieikuDdige aantrekking.
Gij weet, dat alle ligchamen uit aaneenklevende deelen bestaan, dat men op
eene werktuigelijke wijze, zoo als door vijlen, raspen, stampen, stooten, kneuzen,
enz., den zamenhang verbreken kan, en dat, hoe ver men die verdeeling ook
voortzet, jde deelen, hierdoor ontstaan, nog altijd aan het geheel gelijksoortig
blijven. Men leide hieruit echter niet af, dat ieder ligchaam uit dezelfde of
gelijksoortige stofdeelen bestaat ! — verre weg de meeste zijn uit ongelijksoor-
tige bestanddeelen zamengesteld. Die ongelijksoortige bestanddeelen vinden wij
niet door eene verdeeling : daartoe biedt ons de scheikunde alleen
de hulpmiddelen aan. Het is door haar, dat men de stoffen heeft leeren onder-
scheiden in enkelvoudige en zamengestelde ligchamen. Enkelvoudige zijn dezulken,
die men tot hiertoe nog niet in ongelijksoortige bestanddeelen heeft kunnen