Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
6U
overliggende —E der vlakte c (C; er zou derhalve daar een gedeelte —E vrij
worden en naar den bol b overgaan; bij de toenemende nadering van dezen
laatste moet er dus ook ontlading volgen.
Men merke vooral op, wat er in den aanvang is gezegd, aangaande het toe-
stroomen van de -|-E des conductors op eene metalen vlakte cd, die er mede
in aanraking is, in geval de andere c d met den grond in verbinding is gebragt.
Deze waarheid is van zeer veel belang om het volgende wel te verstaan. Men kan
ze op de volgende wijze aanschouwelijk maken.
Wanneer op den conductor der electriseermachine de quadrant-electrometer
(zie fig. 358) wordt geplaatst, en de conductor zeifin aanraking is gebragt met
de vlakte c d der franklinsche plaat, terwijl de andere c d' onaangeroerd hlijft,
zoo bereikt, na eenige omdraaijingen der schijf, de slinger e al spoedig eene
onveranderlijke stelling, en deze wijst dus de grootst mogelijke belading van den
eersten geleider aan. Naauwelijks echter heeft men de van den conductor af-
gewende vlakte cd' met de hand of den vinger aangeraakt, of de slinger nc
valt neder, en alle electriciteit van den conductor is dus op het metaalbekleedsel
c d overgegaan.
Het is derhalve noodzakelijk, om eene der metaalbedekkingen met den grond
in gemeenschap te stellen, zal men met de andere eene groote mate van electri-
citeit verzamelen.
Het kan gebeuren, dat aan het metaalblad eene te sterke lading wordt gegeven;
dit heeft vooral bij groote, krachtige electriseerwerktuigen plaats. In dat geval
wordt de wederstand, dien het glas aan den doorgang der electriciteit biedt,
overwonnen; er volgt dan van zelf eene ontlading; het glas wordt doorboord, of
er springt eene vonk door de lucht langs bet onbedekte gedeelte van de glasplaat
en over den rand naar de andere zijde over.
Eene wijziging der franklinsche plaat vinden wij in de zoogenaamde leidsche ft
flesch, een eenvoudig werktuig, dat lang vdór de glazen plaat van Franklin in
1746 door Cunasus en zijnen leermeester Musscheubroek te Leiden is uitgevonden.
Deze flesch is een onontbeerlijk werktuig bij de electriseermachine.
Neemt een cilindervormig bierglas, beplakt het binnen en buiten tot een eind
onder den rand met bladtin; lost, om dit te verrigten, zoo men geene stijfsel
wil gebruiken, arabische gom in water op, en bestrijkt daarmede het glas zoo
hoog als men het bekleeden wil, en strijkt er het bladtin vervolgens zeer glad
overheen. Neemt daarna een schijfje bordpapier, zoo groot als de wijdte van het I
glas, maakt er in het midden eene opening in, en steekt er een tamelijk dik i
koperdraad doorheen, dat aan het eene einde van eenen knop is voorzien, of tot i
eenen ring is omgebogen, en aan het ondereinde een paar kettingjes draagt; be-)
vestigt dit koperdraad vervolgens in de opening van het bordpapier doormiddel i
van een weinig lak, plaatst eindelijk het bordpapieren schijfje boven in de ope- it
ning van het beplakte bierglas, en maakt het daar iusgelijks met een weinig lak 11
vast, waardoor nu het koperdraad loodregt overeind iu het glas staat, zoodanig, !|